Sociale woningen Hertogensite
Sociale woningen Hertogensite
Het project kadert in de ontwikkeling van de Hertogensite tussen de Brusselsestraat, Kapucijnenvoer en Minderbroedersstraat in Leuven. Net buiten de oude stadsomwalling, aan de rand van het historische centrum van Leuven, wordt een voormalige ziekenhuis- en universitaire site omgevormd tot een nieuw stadskwartier. Waar de omvangrijke site vroeger een gesloten bouwblok vormde dat was afgesloten voor het publiek, wordt nu ingezet op het versterken van het fijnmazig stedelijk weefsel.
Een overwelfde Dijle-arm die de site centraal van noord naar zuid doorkruist wordt opengelegd en opgewaardeerd door middel van een aangrenzende as voor zacht verkeer en een parkomgeving. Het aanwezig erfgoed op de site wordt gevalideerd en aangevuld met nieuwe bebouwing, waarbij oost-westverbindingen in de vorm van stegen, woonerven en pleinen de site connecteren met de historische stadskern.
Het beschermde Pathologisch Instituut aan de Minderbroedersstraat krijgt een herbestemming als universiteitsmuseum en vormt het ankerpunt voor de ontwikkeling van een bouwblok rond een collectief hof, de wooncluster Pathologie. dmvA+ ontwikkelt hierbinnen enerzijds een gebouw met 20 sociale woningen, gerealiseerd volgens de CBO-procedure, en aansluitend vijf private stadswoningen.
Het straatbeeld in de Minderbroedersstraat is vandaag relatief gesloten. Het nieuwbouwvolume met sociale woningen moet inzetten op meer leefbaarheid van de straat met respect voor het aangrenzend bouwkundig patrimonium. Met name de aansluiting met het beschermd monument Pathologie aan de rechterzijde en het waardevolle burgerhuis aan de linkerzijde verdient de nodige aandacht.
Door zijn ligging vervolledigt het gebouw met sociale woningen het gevelbeeld van beschermd stadsgezicht Minderbroedersstraat en vormt het ook ineens één van de hoekstenen van een nieuw bouwblok. Het lange been van de L-vormige figuur bevindt zich aan de Minderbroedersstraat, het korte been plooit zich om zodat een doorsteek naar het achterliggende woonerf ontstaat. Deze steeg krijgt een hoekaccent in het nieuwe gebouw door langs de steeg het volume af te schuinen tot de noklijn. Er ontstaat door het hoekaccent een micro buurtpleintje dat de Minderbroedersstraat meer openheid geeft en leefbaarder maakt.
Een doorsteek aan de steeg vormt de toegang tot het woonproject: het collectief woongebouw krijgt zo één adres aan de steeg, die wordt verlengd met een binnenstraat in het collectieve hof. Grenzend aan de inkomzone wordt strategisch de lift- & trapkoker ingetekend, maar ook andere gemeenschappelijke functies zoals postbussen, fiets-bergingen en tellerlokalen. De stalen poort met spijlen houdt het doorzicht naar het binnenhof vanop de steeg open, maar regelt de afsluitbaarheid van het collectieve binnenhof ten opzichte van het openbaar domein.
De aansluiting op het Pathologisch instituut en de oriëntatie bepalen de dwarsdoorsnede en typologische invulling van het woonproject. De straatgevel aan de Minderbroedersstraat heeft een zuidoriëntatie waardoor buitenruimtes voornamelijk aan de straatzijde zullen gelegen zijn. Deze krijgen vorm als inpandige terrassen of loggia’s die diepte geven aan de gevel wat de beleefbaarheid van de straat ten goede komt. Voor de gelijkvloerse verdieping van de wooneenheden wordt de vloer ca. 30cm hoger dan het maaiveld uitgevoerd zoals in de typische stadswoning waardoor een gesloten borstwering aan het terras ook een privacy-buffer vormt op ooghoogte van de voorbijganger. Door de loggia’s dubbelhoog te maken krijgen de woningen een betere bezonning en lichtinval in het eerder smalle straatprofiel van de Minderbroedersstraat.
De keuze voor dubbelhoge loggia’s in de voorgevel leidt tot het uitwerken van een typologie van duplex-woningen op het gelijkvloers en eerste verdieping. Deze worden opgevat als doorzonwoningen voor gezinnen met kinderen. De inkomdeuren bevinden zich niet aan straatzijde maar op een binnenstraat aan het collectieve binnengebied, waar ze beter aansluiten bij het karakter van groepswoningbouw en zorgen voor meer leven aan het binnenhof.
Om het gevelbeeld in de Minderbroedersstraat homogeen te vervolledigen wordt op de verdiepingen een ritme geprojecteerd van alternerende gevelopeningen, met dezelfde schaal als de gelijkvloerse loggia’s. Deze dubbelhoge gevelopeningen worden gevormd door een stapeling van telkens 2 terrassen boven elkaar. De wooneenheden waarop deze terrassen aansluiten vormen een tweede basistype van éénslaapkamerappartementen. Deze appartementen op de tweede en derde verdieping zijn bereikbaar vanaf een galerij aan noordzijde. Deze galerijen lopen parallel met de gelijkvloerse binnenstraat en worden en interessante ontmoetingsplek tussen buren.
Binnen de stedenbouwkundige verplichting om te werken met hellend dak wordt een systeem van dakkapellen toegepast dat het mogelijk maakt leefruimten met terrassen te voorzien op de dakverdieping. Dit leidt tot specifieke woontypologieën met 3 slaapkamers die profiteren van een doorzon leefruimte van terras tot buitengalerij.
Als antwoord op de bijzondere erfgoedcontext wil het gebouw zich in het beschermd stadsgezicht assimileren zonder de stijlkenmerken van de monumenten te kopiëren. Gevelmetselwerk is als materiaal een logische verderzetting van het hoofdmateriaal in het beschermd stadsgezicht. Deze leveren meteen ook het bewijs dat de duurzaamheid in de tijd ervan gegarandeerd is. Er wordt een tactiel en zinderend oppervlak gecreëerd door spel van reliëf en metselwerkverbanden. Horizontale geledingen benadrukken de gelaagdheid en verwijzen naar speklagen en gevellijsten eigen aan de erfgoedcontext: strekkenlagen, kroonlijsten, dorpels en lintelen in architectonisch beton zijn het gevelmateriaal in tweede orde.
Grote gevelopeningen verlevendigen het gesloten straatbeeld voor de voorbijganger en zorgen voor een cadans in de straat als antwoord op de grote raamopeningen in het strakke en zakelijke gevelbeeld van het gebouw van Pathologie. De uitsnijdingen werken op maat van het gehele gebouw inspelend op de grootschaligheid van de gebouwen in de Minderbroedersstraat. Een warm monochroom kleurenpallet van grijswaarden creëert een oplichtend effect in het smalste en donkerste stuk van de Minderbroedersstraat.
Specifics
Opdrachtgever: Revisterra, Dijledal
Locatie: Leuven
Realisatie: 2018 – 2024
Ontwerpteam: Bruno Van Langenhove – Atelier BLAU, David Driesen, Tom Verschueren, Eva Vanderborcht, Ine papen, Nina Dalla, Dries Delagaye
Ingenieur Stabiliteit: Establis
Ingenieur Technieken: Creteq
Fotografie: Dennis De Smet
Schaal: 20 sociale woningen, 5 private stadswoningen
Residentie Waterkant
Residentie Waterkant
Residentie Waterkant ligt aan de Tichelrij, nabij de Dijle in Mechelen. De buurt heeft een rijke geschiedenis, mede door de ligging aan de rivier. De naam ‘Tichels’ verwijst naar een oude benaming voor baksteen, en lag vermoedelijk aan de basis van de productie van tichels (geplaveide pannen) die via het water getransporteerd konden worden. Er stonden in de tijd dat Mechelen het epicentrum van Europa was rijkelijke woningen, maar deze zijn weggeveegd in de Tweede Wereldoorlog door een foutief Engels bombardement. Tijdens de jaren ’50 werd de site gevuld door een appartementsgebouw en een werkplaats voor bouwbedrijf Geys.
Het perceel is gelegen in een groot en langgerekt bouwblok waarbij het bouwkavel zodanig diep is dat het aan twee straten grenst: de Thaborstraat en de Tichelrij. De kavel stond voordien volledig vol met parkeerplaatsen en garageboxen. De gebouwen aan de straatzijde hadden geen historische waarde. Typerend voor het perceel zijn de hoge scheimuren, die te verklaren zijn door het verleden van de site. Vermoedelijk bevonden zich hier vroeger de werkplaatsen van een bouwbedrijf. Daarnaast grenst het perceel aan een school, wat een belangrijke rol speelde in de latere ontwikkeling van het project.
Gezien de prachtige ligging aan de Dijle was de vraag van de ontwikkelaar om appartementen te creëren die een connectie hebben met het nabijgelegen water. Daarnaast vroeg Stad Mechelen om de parkeercapaciteit te behouden voor zowel de toekomstige bewoners als de buurt. Daarom voorzag dmvA twee verdiepingen ondergronds, zodat er voldoende parkeerplaatsen behouden bleven en tegelijk ruimte vrijkwam om bovengronds een kwalitatief woonproject te realiseren.
Bovendien werd dit project een voorbeeld van duurzame ontwikkeling dankzij een bijzondere samenwerking met de naastgelegen school. De perceelgrens werd hertekend: de school kreeg er een stuk extra speelplaats bij boven de ondergrondse parking, terwijl zij aan de zijde van de Thaborstraat een deel perceel afstond. Hierdoor kreeg het project extra gevelbreedte in het straatbeeld. Deze wisselwerking toont hoe een langetermijnvisie en samenwerking tussen verschillende partijen kunnen leiden tot een duurzame en evenwichtige stadsontwikkeling.
Het perceel, dat voorheen vol was gebouwd, wordt vrijgemaakt. Het binnengebied wordt begrensd door hoge tuinmuren van de oude werkplaatsen, die de beleving van het binnengebied sterk bepalen.
Door volumes aan de straatzijde te plaatsen worden de randen van het bouwblok weer hersteld. De diepte van het perceel laat toe om ook het binnengebied te activeren en een nieuw volume toe te voegen. Dit betekent een bijkomende uitdaging: de nieuwe volumes moeten zich verhouden tot deze bestaande scheimuren en er tegelijk kwalitatieve woon- en buitenruimtes rond organiseren.
Door slim in te spelen op deze randvoorwaarden kon dmvA het binnengebied transformeren tot een aangename leefomgeving op mensenmaat. Door het voorzien van nieuwe zichtassen en stegen wordt de site bovendien niet langer afgesloten, maar open en verbonden, zowel voor bewoners als voor de buurt.
Residentie Waterkant bestaat uit drie bouwvolumes met 35 woonunits en een ondergrondse parking. In plaats van één grote blok te ontwerpen, werd gestreefd naar luchtigheid in het project. Zo kregen de gebouwen verschillende hoogtes en werd het binnengebied opengewerkt. Door de volumes te laten inspelen op de scheimuren ontstaan interessante buitenruimtes. Bovendien zorgen insijdingen en uitkragingen voor een sterke plasticiteit in de volumes, waardoor de schaal wordt verkleind en het geheel beter aansluit bij de menselijke maat. De gebouwen worden gelinkt met twee waterpatio’s die in combinatie met de nabijgelegen Dijle het concept ‘wonen bij & rond het water’ verwezenlijken.
De site is doorwaadbaar door het toevoegen van stegen die enerzijds zorgen voor circulatie en anderzijds zichtassen creëren vanuit de straat naar binnen en omgekeerd. Op die manier kunnen niet alleen de bewoners, maar ook de mensen uit de stad hier vlot doorsteken, waardoor het project verweven raakt met zijn stedelijke context. De gevels zijn opgebouwd in baksteen, een bewuste verwijzing naar de historische betekenis van de plek, gecombineerd met een fijnmazige witte aluminiumstructuur als dubbele huid. Deze filtert het licht, biedt zonbescherming en werkt samen met de waterpatio’s als klimaatregelaar tegen oververhitting.
De residentie voorziet een variatie aan wonen met appartementen van verschillende oppervlaktes, waardoor het voor iedereen fijn wonen is bij het water op wandelafstand van het stadscentrum.
Residentie Waterkant is een sterk voorbeeld van duurzame stadsontwikkeling. Het project zet in op stedelijke verdichting door op een compacte en efficiënte manier kwalitatieve woonruimte te creëren in het hart van Mechelen. Dankzij de nauwe samenwerking tussen de stad, de school en de ontwikkelaar ontstond een geïntegreerde oplossing die verder kijkt dan het eigen perceel. De waterpatio’s, in combinatie met duurzame technieken zoals een warmtepomp en doordachte zonwering, dragen bij aan een comfortabel en energie-efficiënt binnenklimaat. Daarnaast bevorderen de stegen de doorwaadbaarheid en sociale duurzaamheid van de site door ontmoetingen en interacties mogelijk te maken.
Specifics
Opdrachtgever: Aannemingen Janssen
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2016 – 2022
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Kristof Van Parijs, Ruben Van den Hove
Ingenieur Stabiliteit: Concreet
Fotografie: Sergio Pirrone
Schaal: 35 woonunits
Ecole 13
Ecole 13
Het project bevindt zich in Sint-Jans-Molenbeek, een levendige Brusselse gemeente met een uitgesproken multicultureel karakter. Te midden van deze context staat de bestaande school, Ecole 13, een schoolvoorbeeld van een eind 19de-eeuws gebouw met een karakteristieke binnenstraat. De Franstalige basisschool heeft een prominente plaats in het straatbeeld door de ligging tegenover de brede Daringlaan, die uitkomt op het voetbalstadium. Deze zichtas verstrekt de aanwezigheid van de school in de buurt. Het perceel van de school verbindt twee straten met elkaar en is gelegen in een atypisch bouwblok.
De bestaande school bestaat uit een langgerekt volume dat zich uitstrekt over het bouwblok met een volledig verharde speelplaats. Aan de straatzijde bevond zich een oud gemeentegebouw dat in gebruik was als opslaggebouw. De tweede speelplaats, gelegen te midden van het bouwblok, werd geïsoleerd ten opzichte van de straat door de aanwezigheid van dit oude gemeentegebouw. De ontsluiting van de sporthal aan het einde van de speelplaats verloopt over de site.
Door het sterk groeiend leerlingenaantal van de school ontstond de nood aan uitbreiding. Na een technische en functionele analyse bleek dat het bestaande gemeentegebouw niet meer voldeed aan de huidige eisen van comfort. Daarom werd het volledig gesloopt in het kader van de schooluitbreiding. De nieuwbouw omvat acht klaslokalen en een polyvalente zaal, die ook toegankelijk moet zijn voor de buurt. Aan linkerzijde houdt de nieuwbouw afstand van het bestaande schoolgebouw om een passage naar de achterliggende speelplaats en sporthal te realiseren.
Het ontwerp vertrekt vanuit een compact grondplan dat aansluit bij de footprint van het voormalige gemeentegebouw. Deze compacte opzet is bewust gekozen omdat ze toelaat om de achterliggende speelplaats zo ruim mogelijk te behouden. Het gelijkvloers wordt zoveel mogelijk met glas opengewerkt om de school een uitnodigend en transparant karakter te geven en de speelplaats meer met de straat te verbinden.
Op het gelijkvloers worden de verticale circulatie en ondersteunende functies gebundeld in vaste kernen. Deze kernen bestaan uit een noodtrap en een lift, aangevuld met bergruimte. Door deze functies compact te organiseren, blijft de rest van het gelijkvloers maximaal vrij en flexibel in te delen.
Het gelijkvloers knikt in ten opzichte van de rooilijn, wat zorgt voor een overdekte inkom. Het voetpad loopt hierdoor in dezelfde materialiteit door tot aan de speelplaats, waardoor de inkom duidelijk gemarkeerd en makkelijk te vinden is.
De compacte uitbreiding krijgt een ingetogen architecturale vormgeving en geeft de schoolsite een nieuwe identiteit met respect voor het bestaande schoolgebouw.
De façade van de bovenbouw heeft in tegenstelling tot de gelijkvloers een meer massief karakter. De gevelopbouw bestaat uit een stapeling van betonpanelen en is visueel een knipoog naar de tabel van Mendeljev.
Op de verdiepingen zijn de klassen telkens georganiseerd rondom een vierkante centrale ruimte. Deze ruimte zorgt niet alleen voor circulatie maar functioneert ook als een multifunctionele ruimte die een klas-overschrijdende werking aanmoedigt.
De klassen zijn voorzien van opendraaiende wanden, die uitgeven op deze centrale ruimte. Deze bevordert de samenwerking tussen verschillende klasgroepen, biedt ruimte om individueel of in kleine groepjes samen te werken of voor allerhande projectwerk. Hierdoor ontstaat een educatief platform dat plaats biedt aan verschillende onderwijsvormen.
Tussen de uitbreiding en het bestaande schoolgebouw bleef een passage behouden als ontsluiting van de gehele scholencampus. Deze geeft uit op de speelplaats, die opgewaardeerd en onthard werd.
Op de speelplaats wordt er een luifel gecreëerd die met haar organische vorm een speels antwoord geeft op het fysiek beschermen van de kinderen.
Specifics
Opdrachtgever: Gemeente Sint-Jans-Molenbeek
Locatie: Sint-Jans-Molenbeek
Realisatie: 2012 – 2024
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Valerie Lonnoy, Lennart Visser, Ines Verhaegen & Lisa Servaes
Ingenieur Stabiliteit: UTIL
Ingenieur Technieken: Boydens Engineering
Fotografie: Johnny Umans
Schaal: 1250 m²
’t Atelier
't Atelier
Het project bevindt zich net buiten de ring van Mechelen, langs de drukke Battelsesteenweg. Deze steenweg vormt een belangrijke toegangsweg tot de stad en wordt gekenmerkt door een mix van woningen, handelszaken en publieke voorzieningen. Te midden van deze levendige stedelijke context bevindt zich een site die zowel het OCMW, het Regionaal Open Jeugdcentrum Mechelen (ROJM) en ’t Atelier huisvest.
’t Atelier is een sociale werkplaats waar mensen worden tewerkgesteld die op de reguliere arbeidsmarkt niet gemakkelijk aan een job geraken. Ze bestaat uit een fietsatelier en een interieurafdeling waar houtbewerking en schrijnwerk centraal staan. Aangezien het fietsatelier uit zijn voegen barstte, werd er een woning gekocht grenzend aan de publieke toegang tot de site. De bestaande woning en de achterliggende werkruimte bevinden zich op een L-vormig perceel dat begrensd wordt door verschillende achtertuinen, het houtatelier en de achterzijde van het ontmoetingscentrum Olivetenhof.
De bestaande woning maakt plaats voor een compacte nieuwbouw waar plaats is voor de fietswinkel, de fietsherstelplaats en kantoren. Aangezien de nieuwbouw aan de toegang tot de drukbezochte site is gelegen, werd gezocht naar een vormgeving die een actieve dialoog aangaat met de publieke ruimte en tegelijk visueel aansluit bij de gevels van de naastliggende woningen. Het fronton boven de toegang aan straatzijde werd doorgezaagd zodat er een open zicht naar het binnengebied ontstaat, waarbij het doorgezaagde element werkt als een no-nonsense ontwerpelement dat de bezoeker begeleidt naar de achterliggende site.
Participatie was een belangrijke hoeksteen binnen dit sociaal-geëngageerd project. Aangezien dmvA voorafgaand aan dit bouwproject reeds verschillende schrijnwerkprojecten van ’t Atelier in hun ontwerpen integreerde, was er een sterke vertrouwensband tussen de architect en de bouwheer. Hieruit ontstond de wens om voor het nieuwbouwproject actief samen te werken met de mensen van het houtatelier zelf met als doel om hun bekwaamheid in de verf te zetten bij het optrekken van hun eigen gebouw.
Het gebouw is opgevat als een betonskelet van kolommen en vloerplaten, geïnspireerd op het Dom-Ino-huis van Le Corbusier. Dit plan libre maakt aanpassingen van de planindeling doorheen de tijd eenvoudig mogelijk en zorgt ervoor dat de invulling van deze basisstructuur door ’t Atelier kon uitgevoerd worden. Deze invulling werd ontworpen als een speelse opbouw van glas en houten buitenschrijnwerk, als het ware een toonzaal van de bekwaamheid van de houtafdeling van ‘t Atelier. De fierheid van de uitvoerders was de kers op de taart van het gehele proces.
Specifics
Opdrachtgever: ‘t Atelier vzw
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2015 – 2019
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Nandi Degrave
Ingenieur Stabiliteit: UTIL struktuurstudies
Fotografie: Johnny Umans
Schaal: 315 m²
Site Apostolinnen
Site Apostolinnen
In het historische centrum van Mechelen ligt de site Apostelinnen, op een hoger gelegen deel van de stad langs de Dijle. In de vroege ontwikkeling van Mechelen ontstonden er twee verschillende kernen die zich onafhankelijk van elkaar ontwikkelden aan weerszijden van de Dijle. Dit duale verleden weerspiegelt zich vandaag nog steeds in het afwisselend grillige en onregelmatige stratenpatroon. In de middeleeuwen was dit deel van de stad minder dicht bebouwd. In het intra muros-gebied ontwikkelde zich bovendien landbouw. Later lieten welgestelde inwoners hier ook buitenverblijven en vakantiehuizen oprichten.
In 1926 kocht de familie Devis de site met de ambitie om het om te vormen tot een residentiële ontwikkeling, met behoud van de handelsfuncties langs de Onze-Lieve-Vrouwestraat. Om deze herontwikkeling zorgvuldig te kunnen aanpakken, werd door dmvA aan geschiedkundige P. De Greef gevraagd een historisch onderzoek over de site uit te voeren. De resultaten van dit onderzoek vormden mee de basis voor het ruimtelijk en conceptueel uitgangspunt van het project. Het was echter belangrijk om in het ontwerp de genius loci terug tot uiting te laten komen en de historische elementen te respecteren en te heropleven.
Uit het onderzoek bleek dat zich tussen de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de Tessestraat doorheen de eeuwen een fijnmazig netwerk van steegjes, woningen en werkplaatsen had ontwikkeld. In het begin van de 17de eeuw groeide de site meer naar een samenhangend geheel door het samenvoegen van verschillende percelen, waarbij het zogenoemde hoff ende huys meerdere keren van eigenaar wisselde. Later werd het domein ingenomen door de Apostolinnen, die door de aankoop van aanliggende percelen de site verder uitbreidden. In de loop van de 19de eeuw transformeerde het domein tot huisvesting voor de middenklasse en evolueerde het tegen het einde van die eeuw tot een dichtbebouwde woonkazerne. In 1926 werd het eigendom van de familie Devis en werd er een beddenwinkel in ondergebracht.
De site is gelegen tussen de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de smalle Tessestraat. Volgens het historisch onderzoek zijn er sinds de Middeleeuwen veel straten en steegjes verdwenen, waaronder het Moriaenstraatje en het Hellestraatje. Het Hellestraatje liep parallel met de Tessestraat en het Moriaenstraatje lag evenwijdig met de Onze-Lieve-Vrouwestraat. Ondanks deze verdwenen structuren zijn op de site nog steeds talrijke historische elementen aanwezig, zoals het Somerhuys, het erkerhuis, delen van het oude klooster en de oorspronkelijke tuinmuren.
Bij aanvang was de site volledig volgebouwd.
Door het binnengebied open te werken, konden de verdwenen straatjes opnieuw worden geïntroduceerd en werden de historische hoofdvolumes weer zichtbaar.
Het ontwerp vertrekt vanuit het historische stratenpatroon, waarbij het Hellestraatje en het Moriaenstraatje opnieuw zichtbaar worden gemaakt. Langs het Moriaenstraatje werd een nieuwbouw toegevoegd. Daarnaast werd het Somerhuys in ere hersteld met een toevoeging van circulatie aan de buitenzijde.
Op de site kunnen we zeven entiteiten onderscheiden: Het Somerhuys (17de eeuw), gerestaureerd en dient als privéwoning; een arbeiderswoning (20ste eeuw), gastverblijf in de privétuin van het Somerhuys; het Pakhuis (18de eeuw), basisonderdeel van het klooster van de Apostolinnen, bestaat nu uit 8 studentenstudio’s; een gerestaureerd erkerhuis (18de eeuw), twee 19de eeuws gebouwen met op de gelijkvloers winkelruimtes en boven 4 woonentiteiten; en tenslotte een nieuwbouw met 2 triplexwoningen.
Aan de Onze-Lieve-Vrouwestraat zijn er twee 19de eeuwse gebouwen met winkelruimtes op de benedenverdieping. Achter en boven de winkels bevinden zich 6 woonentiteiten, waaronder een nieuwbouw met twee triplexwoningen. De nieuwbouw dient als katalysator voor de gehele site: het is een bakstenen monoliet met buitentrappen die, in samenwerking met de stegen en de patio’s, voor nieuwe circulatie op de site zorgen teruggrijpend naar het Moriaenstraatje. Via de trappenconstructie zijn de woningen boven en achter de winkelruimtes opnieuw bereikbaar. Het gebouw is een overtreffende trap in baksteensteenarchitectuur, die met zijn tactiliteit opvalt door de uitpuilende voegen in het metselwerk. Naast de nieuwbouw bevindt zich een gerestaureerd erkerhuis uit de 18de eeuw waarin ook een triplexwoning is ondergebracht.
Centraal op de site bevindt zich het Somerhuys, gebouwd in de 17de De ramen zijn allemaal op het zuiden gericht, volgens het onderzoek was dit een woning die uitsluitend de zon als warmtebron gebruikte. Het huis werd gerestaureerd en dient als een privéwoning. Om de moer- en kinderbalken van de woning integraal te behouden, werd de stalen trap buiten het gebouw geplaatst.
Aan de Tessestraat bevindt zich de arbeiderswoning uit de 20ste Deze woning is nu een gastenverblijf in de privétuin van het Somerhuys. Ook hier werd een buitentrap in zwart staal voorzien.
Achter het Somerhuys is het Pakhuis gelegen, dat door de ontpitting van de site weer vrij is komen te staan. Het Pakhuis uit de 18de eeuw was het basisonderdeel van het klooster van de Apostolinnen. Het gebouw is nu omgevormd 8 studio’s voor studenten.
Alle ingrepen manifesteren zich bewust als nieuw. Door het historische en het hedendaagse niet te vermengen maar duidelijk van elkaar te onderscheiden, ontstaat een eerlijk geheel waarin verschillende tijdslagen naast elkaar kunnen bestaan en elkaar wederzijds versterken.
De herontwikkeling zet maximaal in op duurzaam ruimtegebruik: waardevolle historische gebouwen worden behouden, herbestemd en geactiveerd. Het openwerken van het binnengebied creëert licht, lucht en aangename verblijfsplekken.
De kleinschalige korrel, de doorwaadbaarheid van het terrein en de mix van functies en woningtypes dragen bij aan een levendig, veerkrachtig stadsdeel. Het geeft de site een menselijke schaal wat bijdraagt aan de sociale duurzaamheid.Het resultaat is een duurzame woonomgeving waarin erfgoed een tweede leven krijgt en een toekomstbestendige manier van stedelijk wonen mogelijk wordt.
Specifics
Opdrachtgever: Fase 1: Visbende / Fase 2: AB nv / B-apart
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2014 – 2018
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Valerie Lonnoy Veerle Delaunay, Gert-Jan Schulte
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: Fase 1: 350 m² / Fase 2: 1050 m²
Huis van Lorreinen
Huis van Lorreinen
Huis van Lorreinen bevindt zich op een prominente hoek van de Grote Markt in Mechelen, het historische hart van Mechelen met een rijke geschiedenis. De Grote Markt wordt gekenmerkt door diverse panden die getuigen van verschillende bouwperiodes, met als meest prominente gebouw het Stadhuis. Het Stadhuis van Mechelen is een samenvoeging van verschillende gebouwen en periodes waarbij de oudste delen hun oorsprong vinden in de 14e eeuw. Verder bevinden er zich gildehuizen en heropgebouwde neotraditionele panden. De site bevindt zich op de hoek van de markt, in de schaduw van de Sint-Romboutstoren. De grootste blikvanger van Mechelen.
De stad Mechelen kocht vijf aaneengesloten panden aan op de hoek van de Frederik de Merodestraat en de Scheerstraat, in directe aansluiting op de Grote Markt en binnen de invloedssfeer van de werelderfgoederkende belforttoren van de Sint-Romboutskathedraal. De stad gaf dmvA de opdracht om deze site te herontwikkelen tot een residentieel mixed-use project, met een combinatie van wonen en handel die de stedelijke dynamiek van het centrum versterkt.
Bij aanvang van het project kampte de site met meerdere problemen. De panden verkeerden in bouwvallige staat en stonden grotendeels leeg. Enkel de gevel van het hoekpand was nog geschikt om te behouden. De overige gevels waren te sterk aangetast om te recupereren. Daarnaast ontbraken kwalitatieve lichtinval, lucht en buitenruimte, wat de woonkwaliteit aanzienlijk beperkte.
Het ontwerpconcept vertrekt vanuit het creëren van licht, lucht en kwalitatieve buitenruimte. In plaats van de vijf kavels volledig te bebouwen, werd één kavel ingezet als een binnenstraat. Deze nieuwe, semipublieke ruimte fungeert als centrale circulatiezone waaraan alle wooneenheden worden ontsloten. De binnenstraat zorgt niet alleen voor optimale daglichttoetreding tot volumes, maar vormt ook een verbindende en activerende ruimte binnen het project. Aan het einde ervan werd een mur végétal voorzien, die de ruimte vergroent en extra kwaliteit toevoegt.
De private terrassen, opgebouwd uit strekmetalen vloertegels, zweven boven deze binnenstraat en bieden zicht op de nabijgelegen Sint-Romboutstoren.
Huis van Lorreinen is sterk verankerd in de stedelijke morfologie van de Grote Markt. In plaats van één grootschalige nieuwbouw te realiseren, koos dmvA ervoor om de oorspronkelijke perceelsstructuur en opeenvolging van gevels te behouden. Hierdoor blijven de woningen smal en verticaal, wat het straatbeeld fijnmazig en levendig houdt. De dubbele gevel helpt met de akoestiek: in dit drukke stedelijke gebied vormt de gelaagde constructie een buffer tegen omgevingsgeluid, waardoor de wooncomfort verhoogd wordt zonder dat openheid en daglicht verloren gaan.
Omdat het oorspronkelijke hoekpand witgepleisterd was, vroeg de stad om deze uitstraling opnieuw te introduceren. Dit principe werd doorgetrokken over de volledige gevelrij, telkens met een eigen materialiteit zoals aluminium lamellen, prefab zichtbeton met kruisjespatroon, glaspartijen en wit pleisterwerk. Zo ontstaat een harmonieus maar genuanceerd gevelbeeld. De geleding van de gevels wordt versterkt door een gradatie van zeer open aan de zijde van de Grote Markt naar meer gesloten dieper in de Scheerstraat.
Specifics
Opdrachtgever: Stad Mechelen
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2011 – 2018
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Gert-Jan Schulte, Emilie Dorekens
Ingenieur Stabiliteit: Util struktuurstudies
Fotografie: Sergio Pirrone
Schaal: 689 m²
Residentie Beghardi
Beghardi
De voormalige ziekenhuissite ‘De Voorzorg’ bevindt zich in de Nieuwe Beggaardenstraat in Mechelen, aan de rand van het Groot Begijnhof en nabij een vertakking van de Dijle. Als kleinschalig stedelijk ziekenhuis maakte De Voorzorg lange tijd integraal deel uit van het historische stadsweefsel en vervulde het een belangrijke sociale en zorgende rol binnen het centrum. De laatste jaren vindt er een bredere evolutie plaats waarbij kleinere, stedelijke ziekenhuizen steeds vaker verdwijnen als gevolg van fusies. De grotere ziekenhuiscampussen vestigen zich voornamelijk buiten de stad.
De omgeving maakt deel uit van de Mechelse benedenstad, een historisch dicht bebouwd stadsdeel dat eeuwenlang werd doorkruist door een fijnmazig netwerk van vlieten. Het projectperceel grenst aan een kleinere voormalige vliet, die vandaag gedempt is en wordt ingezet als wadi binnen het ontwerp.
De site was doorheen de jaren volledig volgebouwd, waardoor licht, lucht en groen grotendeels verdwenen waren. Daarnaast wordt het karakter van de site bepaald door restanten van diephuizen, blinde gevels en de typische kleinschaligheid van het middeleeuwse stadsweefsel. De site wordt aan één zijde begrensd door het Scheppersinstituut, waarmee zorgvuldig rekening werd gehouden op het vlak van schaal, oriëntatie en privacy. Het terrein werd aangekocht door een private ontwikkelaar met de intentie om haar te herbestemmen tot een residentieel project dat opnieuw woonkwaliteit toevoegt aan de binnenstad.
De ontwerpopgave omvatte het behoud en de integratie van de karaktervolle voorgevel van het bestaande herenhuis, als drager van de historische identiteit van De Voorzorg, gecombineerd met nieuwe woonvolumes en kwalitatieve buitenruimtes.
Het ontwerpconcept vertrekt vanuit het idee van een hedendaags begijnhof: een ensemble van woningen rond een collectieve, groene binnenruimte, ingebed in de stad maar met een uitgesproken eigen rust en identiteit. De nieuwbouw is opgevat als twee volumes: één aan de straatzijde en één aan de achterzijde van het perceel. Samen definiëren ze een centraal gelegen, ommuurde tuin.
Een cruciale stedelijke ingreep is de aanleg van een doorgang tussen de Arme Clarenstraat en de nieuwe Beggaardensstraat. Deze smalle steeg verhoogt de doorwaadbaarheid van het bouwblok en grijpt bewust terug naar de middeleeuwse stadsstructuur van steegjes die Mechelen historisch kenmerken.
Architecturaal wordt ingezet op een gevelritmiek die aansluit bij het bestaande stadsbeeld. Door een mix van woontypologieën ontstaat een gevarieerd woonaanbod dat verschillende doelgroepen aantrekt. Het nieuwe diephuis volgt de oorspronkelijke bouwdiepte van 17 meter, maar dankzij de toevoeging van een patiotuin en een doorsteek ontstaat een meer open structuur. De gevelopbouw en vloerhoogtes zijn afgestemd op het bestaande pand van De Voorzorg, waarbij de gelijkvloerse laag bewust iets hoger is uitgevoerd om extra ruimtelijkheid en licht te creëren in de doorgang.
Bakstenen tuinmuren structureren de paden en terrassen en creëren een geleidelijke overgang tussen private en gedeelde zones. Een gevarieerd en seizoensgebonden beplantingsplan versterkt zowel de privacy van de woningen als het levendige karakter van de collectieve buitenruimte.
Specifics
Opdrachtgever: Stigt nv
Locatie: Mechelen
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Lennart Visser, Silke Verstappen, Tom Beele
Ingenieur Stabiliteit: Momenting bv
Credits 3D image: Polygon
Schaal: 6 huizen, 10 appartementen met collectieve binnentuin
Lorette Klooster
Lorette Klooster
Het Lorette Klooster ook gekend als het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid, maakt deel uit van een trapeziumvormig bouwblok gelegen in het hart van Mechelen tussen de Drabstraat en de Begijnenstraat naast de Vismarkt aan de Dijle. De site vormt een gelaagd geheel van gebouwen bestaande uit diephuizen (16de eeuw), een pakhuis (17e eeuw) en het neogotische kloostergebouw opgetrokken in de 19de– en vroege 20ste-eeuw.
Ten westen van het bouwblok bevindt zich de Drabstraat, een smalle straat die de Vismarkt verbindt met de recent heropende Melaanvliet. In de 19de eeuw werden de zuidelijke gevels van deze straat geüniformeerd volgens classicistische principes, wat resulteerde in een homogeen maar weinig leesbaar straatbeeld.
Achter deze 19de-eeuwse witgepleisterde gevelwand schuilen waardevolle historische gebouwen, waaronder de beschermde monumenten Hooghuys een pakhuis uit de 17de eeuw en ’t Sweert drie diephuizen uit de 16e eeuw. Ten zuiden van ’t Sweert bevindt zich een 19de-eeuws pand uit ca. 1888 met een minder historisch waardevolle kenmerken.
Het kloostersite verloor haar functie eind jaren 70. Gedurende meer dan 20 jaar hebben meerdere projectontwikkelaars getracht de site te ontwikkelen maar zonder resultaat. In 2006 werd de site uiteindelijk opgesplitst in twee delen. De neogotische kloostergebouwen werden verkocht aan projectontwikkelaar Costermans, de buitenruimtes en de gebouwen langsheen de Drabstraat werden eigendom van ontwikkelaar City Site.
De stad Mechelen formuleerde in samenwerking met Erfgoed Vlaanderen de randvoorwaarden van de reconversieopdracht die verschillende stedelijke doelstellingen samenbracht. Het project beoogde enerzijds een antwoord te bieden op de parkeerdruk in de binnenstad door de aanleg van een ondergrondse parkeergarage en anderzijds een gemengd programma te realiseren met woningen, kantoren en commerciële ruimten. Daarnaast moest de ingreep aansluiten bij de bredere stadsvernieuwingsoperatie rond de Melaan en de Lamotsite. Tevens diende bijzondere aandacht worden besteed aan de herwaardering en het behoud van het waardevolle bouwkundige erfgoed. De grootste uitdaging van het project lag in het verzoenen van deze erfgoedzorg met het uitgebreide programma van eisen.
dmvA werd door projectontwikkelaar City Site aangesteld als ontwerper voor het maken van het masterplan. Het doel was om de verborgen parel van het Lorette Klooster toegankelijk te maken voor de Mechelaar. Zowel de binnenkoer achter het Hooghuys als de vroegere driehoekige kloostertuin worden in ere hersteld en omgevormd tot semi-publieke tuinen. Door het heropenen van de steeg aan de Vismarkt alsook door het creëren van een nieuwe doorgang naast het Hooghuys ontstaat een voetgangersverbinding tussen de Melaan en de Vismarkt.
Het architecturale concept vertrekt vanuit het selectief verwijderen van bestaande volumes gebaseerd op historisch onderzoek. Minder waardevolle bouwvolumes werden afgebroken om ruimte te creëren voor een weloverwogen nieuwbouw. Het oorspronkelijke 19e -eeuwse bouwvolume tussen Hooghuys en ’t Sweert wordt vervangen door een nieuwbouw met inrit voor de ondergrondse parkeergarage, handelsruimte en drie appartementen, waarvan de gevels zijn uitgevoerd in witte baksteen die aansluit bij de witte pleister architectuur van het Hooghuys en de 19e -eeuwse gevels. Deze ingreep doorbreekt bewust op een subtiele manier de strikte geveluniformiteit van de Drabstraat en maakt de onderliggende gelaagdheid opnieuw zichtbaar.
De nieuwbouw wordt ingezet als aanvulling en niet als overheersend element. Uit respect voor het beschermde Hooghuys blijft het gelijkvloers deel onbebouwd waardoor er een steeg ontstaat die de straat verbindt met de semi-publieke binnenkoer. Door de aansluiting op de mansardedaken van ’t Sweert te spiegelen, wordt een evenwicht gezocht tussen oud en nieuw. Het onregelmatige ritme van raamopeningen in de gevel en de integratie van inpandige terrassen zorgen voor een hedendaagse interpretatie van de classicistische 19e -eeuwse gevel zonder het straatbeeld te verstoren.
Wonen aan een Kloostertuin
Het binnengebied, dat historisch fungeerde als kloostertuin en later als schoolspeelplaats, vormt het ruimtelijke hart van het project. Deze open ruimte bleef doorheen de geschiedenis een rustpunt binnen de dense stedelijke context. Ook in de nieuwe invulling wordt dit karakter behouden en versterkt.
In plaats van het gebied te verkavelen in private tuinen, werd bewust gekozen voor een semi-publieke, collectieve buitenruimte. De nieuwe achtergevels samen met de drie gerestaureerde historische puntgevels van ’t Sweert en de gerestaureerde neogotische gevels van de kapel en het kloostergebouw omkaderen het binnengebied en creëren een menselijke architectuur zonder de ruimtelijke samenhang te verstoren. De synergie tussen oud en nieuw verstrekt de historiciteit van de site.
Het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid bestaande uit een noordelijke en oostelijke vleugel opgetrokken in 1911 in neogotische stijl onder leiding van bouwmeester Edmond Peel, wordt gerestaureerd en getransformeerd tot een appartementen complex door architect Wil Bots.
De middeleeuwse gevels van ’t Sweert werden terug in ere hersteld en gerestaureerd door Beeck&Hermans architecten.
Specifics
Opdrachtgever: City Site/ Van Poppel
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2005 – 2018
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Valérie Lonnoy
Ingenieur Stabiliteit: Jan Van Aelst bvba
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: 4735 m²
Hof van Busleyden
Hof van Busleyden
Het Hof van Busleyden is een statig stadspaleis uit de 16de eeuw en een van de belangrijkste erfgoedlocaties van Mechelen. Samen met het paleis van Margaretha van Oostenrijk, het Schepenhuis en andere stadspaleizen vormt het een tastbare herinnering aan het Bourgondische verleden van de stad. Mechelen was toen een centrum van macht, religie en humanisme. Vandaag maakt het gebouw deel uit van de culturele driehoek van Mechelen. Sinds 1938 doet het Hof dienst als stadsmuseum. Het gebouw, dat als monument werd beschermd, ligt in een zone met een hoge concentratie aan historische panden ten noorden van de Grote Markt, en weerspiegelt zo het rijke cultuurhistorische weefsel van de stad.
Het Hof van Busleyden kent een rijke geschiedenis die teruggaat tot de 16de eeuw. Toen het werd gebouwd als stadspaleis van Hiëronymus van Busleyden, een invloedrijke humanist, raadsheer en mecenas aan het hof van de Bourgondische Nederlanden. Het gebouw fungeerde destijds als een ontmoetingsplaats voor vooraanstaande denkers en kunstenaars, waaronder Erasmus en Thomas More. Zo speelde het een belangrijke rol in het intellectuele leven van de Renaissance. Doorheen de eeuwen kende het pand diverse functies. Van adellijke residentie tot liefdadigheidsinstelling en uiteindelijk stadsmuseum vanaf 1938. Ondanks aanpassingen en verbouwingen bleef de laatgotische architectuur met haar kenmerkende bak- en zandsteencombinatie grotendeels behouden. Het stadspaleis wikkelt zich rond drie buitenruimtes, oorspronkelijk volledig afgesloten van en voor het publieke leven.
Het Hof heeft enorme schade opgelopen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1914 werd Mechelen zwaar gebombardeerd door het Duitse leger. Grote delen van het dak en het interieur werden vernield. Het stadsbestuur was vastbesloten om het gebouw in al haar glorie te herstellen, en er een stadsmuseum in onder te brengen. Hoe we het gebouw vandaag kennen is eigenlijk een reconstructie van een geromantiseerd historisch gebouw.
In 1999 werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven voor de uitbreiding, modernisering en restauratie van het stadsmuseum. De complexiteit hieromtrent behelsde, behalve het architecturale, ook het juist omspringen met het technische complex gegeven rond de museale technieken, klasse A. Het winnende ontwerp, van Hans Le Compte in samenwerking met dmvA, wist de jury te overtuigen door het bestaande historisch erfgoed niet aan te passen maar op een onzichtbare manier het museum uit te breiden. De uitvoering van het project startte in 2010 en verloopt gefaseerd tot in 2026.
Deze gefaseerde aanpak liet toe om tijdens de eerste fase de focus te leggen op de stedelijke doorwaadbaarheid en de structurele en technische uitbreiding van het museum, waarbij de nieuwe ondergrondse museumzalen werden gerealiseerd. In een tweede fase werd het hoofdgebouw gerenoveerd en geoptimaliseerd voor hedendaags gebruik, met nieuwe functies zoals een bar, boekenwinkel, terrassen en een circulatieblok dat de toegankelijkheid van het museum versterkt. Tijdens de derde fase werd de volledige museale inrichting uitgevoerd. In de laatste fase werd het Schipken, het hoekgebouw en een oude orgelschool, nog gerenoveerd en toegevoegd aan het museum.
Fase I
Fase I omvatte de her aanleg van de drie tuinen, het creëren van een doorgang tussen de Stadstuin en de Erekoer en de toevoeging van een ondergrondse museumzaal. Tijdens deze fase lag de nadruk op de toegankelijkheid en beleving van de gehele site versterkten, met respect voor het historische karakter van het monument.
De drie buitenruimtes van het renaissancepaleis, de Stadstuin, de Erekoer en de Beeldentuin, werden volledig heraangelegd en opnieuw opengesteld voor het publiek. Waar deze plekken vroeger afgesloten waren, vormen ze nu een toegankelijk en levendig geheel binnen de stad. De tuinen vervullen een meervoudige rol: ze functioneren als museumtuin en schakel op de museumas, als platform voor sculpturen en hedendaagse kunstvormen, maar ook als rustpunt in de stad. Ze bieden ruimte voor ontmoeting, reflectie en kleinschalige evenementen, en verbinden zo het museum met het dagelijks leven van de Mechelaar. Het eigentijdse karakter van de tuinen sluit subtiel aan bij het historische kader van de site: geen letterlijke reconstructie van een renaissancetuin, maar een serene, hedendaagse interpretatie die de humanistische geest van Hiëronymus van Busleyden levend houdt.
Door het openstellen van de buitenruimtes en het doortrekken van de gaanderij werd een vloeiende doorgang gecreëerd tussen de drie tuinen. Zo werd de site doorwaadbaar en opgenomen in de publieke ruimte. De opeenvolging van routes, binnenplaatsen en tuinen verankert het museum sterker in het stedelijke weefsel en versterkt de culturele dynamiek van de omgeving.
Het eigentijdse karakter van de tuinen sluit subtiel aan bij het historische kader van de site: geen letterlijke reconstructie van een renaissancetuin, maar een serene, hedendaagse interpretatie die de humanistische geest van Hiëronymus van Busleyden levend houdt.
De oostelijke vleugel bevat de circulatie naar de ondergrondse expositiezalen. Het gebouw afgebroken werd voor de bouw van de ondergrondse zalen, maar is daarna zoals oorspronkelijk heropgebouwd. Binnen werd het circulatiegegeven op een hedendaagse manier ingevuld door dmvA.
De trap fungeert niet enkel als circulatie-element, maar ook als architecturaal statement dat verwijst naar Mechelens traditie van vakmanschap en ambacht. Voormalig Vlaams Bouwmeester Bob Van Reeth, die een affiniteit met Mechelen bezit, adviseerde dmvA tijdens de ontwerpfase ‘dat de trap een dergelijke grandeur moet uitstralen dat een vader deze circulatie waardig acht om langs deze weg zijn dochter te overhandigen bij het huwelijksritueel’. Na de voltooiing van de trap heeft deze architect, geducht om zijn ongezouten meningen, de ingreep gecomplimenteerd.
De nieuwe museumzalen bevinden zich negen meter onder de buitenruimte en het beiaardmuseum. Een architect hoeft namelijk niet altijd zichtbaar in te grijpen, zeker wanneer deze in aanraking komt met een beschermd gebouw. dmvA besloot daarom de zaal onder de stadstuin te plaatsen om zo de omliggende historische context niet te schaden. Een technisch staaltje van ondergronds bouwen voorziet in een kleine en grote tentoonstellingszaal waarvoor een certificaat museumklasse conditionering A is uitgereikt – uniek in België. De grootste tentoonstellingszaal (30 m vrije overspanning, 6,5 m hoog) kan daarom internationale topstukken ontvangen
De complexiteit van de museale technieken verdwijnen in de architecturale uitwerking binnen de gebouwen door een doos-in-doos-principe. Zo doen ze geen afbreuk aan de kwaliteit en esthetiek van de plek.
Fase II
Fase twee behelst de renovatie van de hoofdgebouwen tot museum met bar, boekenwinkel en terrassen en een circulatieblok in nieuwe balegemsesteen ter vervanging van de 19de-eeuwse conciërgewoning.
De voormalige conciërgewoning, die zich tussen de verschillende vleugels van het Hof van Busleyden bevond, verhinderde een logische circulatie en beperkte de doorwaadbaarheid tussen de drie museumgebouwen. Door deze woning af te breken, ontstond de mogelijkheid om een nieuwe verbinding te creëren die de drie historische vleugels.
Het nieuwe circulatiegebouw is zo ontworpen dat het alle vloerniveaus met elkaar verbindt en waarin ook een technische ruimte is ondergebracht. Het gebouw is opgevat als een rustig, abstract volume in Balegemse natuursteen hetzelfde materiaal als de negblokken en speklagen in het aangrenzende historische gebouw. Ondanks zijn gesloten karakter krijgt het interieur een open en lichte sfeer dankzij het dak, opgebouwd uit een raster van betonnen balken met glazen invulling. Het invallende zenitale licht versterkt het gevoel van verticaliteit en trekt bezoekers als het ware naar boven.
Binnenin bestaat het circulatiegebouw uit betonnen wanden, gecombineerd met een glazen wand aan de zijde van het aanpalende historische gebouw. Het ruwe, bestraalde beton contrasteert met het delicate glas. Omdat het volume volledig uitkraagt, waren er geen kolommen nodig om het te ondersteunen.
Het circulatiegebouw dringt zich niet op, maar neemt het letterlijk en figuurlijk afstand van het omliggende historische gebouw. Het vormt een ingetogen schakel tussen oud en nieuw. Ook de aangrenzende beeldentuin sluit hierop aan: het ene deel vormt een visuele verlenging van het nieuwe gebouw, terwijl het andere deel als groene ruimte het historische paleis omarmt en versterkt.
Fase III
Fase 3 gebeurde in nauwe samewerking met de dienst musea van de stad Mechelen en de aannemer. Het werd gerealiseerd met bijzondere hedendaagse opvatting rond het gegeven van humanisme.
Binnen de historische context van het stadspaleis, dat ooit diende als ontmoetingsplaats voor humanisten zoals Erasmus en Thomas More, kreeg de scenografie van de vaste tentoonstelling haar vorm. Vertrekkend vanuit de bestaande architectuur werd elke kamer benaderd als een ruimte met een eigen verhaal en karakter. De inrichting staat volledig in dienst van de tentoongestelde objecten, terwijl waar mogelijk interactie met de bezoeker wordt aangemoedigd. De rode draad doorheen het museum wordt gevormd door kamers die het “nu” verbeelden en afwisselen met de collectiekamers.
Het museumparcours mondt uit in de zolderruimte, waar het topstukken van het erfgoed, de “Hofkes”, wordt tentoongesteld. Hiervoor werden speciaal ontworpen vitrines ontwikkeld die alle trillingen en omgevingsinvloeden uitschakelen om dit fragiele erfgoed optimaal te bewaren.
Naast de vaste scenografie in het paleis bevindt zich in de nieuwe ondergrondse museumzaal ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen, waardoor het Hof van Busleyden flexibel kan inspelen op actuele thema’s en nieuwe samenwerkingen. Zo wordt het museum een plek waar verleden, heden en toekomst elkaar ontmoeten.
Fase IV
De laatste fase van het Hof van Busleyden richt zich op de renovatie van Het Schipken, de voormalige beiaardschool ten zuiden van de site, en de integratie ervan binnen het museumcomplex. De oude woning en latere toevoegingen maakten het gebouw tot een samengestelde structuur. Met historische elementen die teruggaan tot voor 1745. Door de diverse bouwfasen en latere aanpassingen ontstond een mix van originele indelingen, kelderruimtes en opkamers, die het mogelijk maakt de functies op een slimme en respectvolle manier te koppelen aan het museum.
Bij de renovatie werd historisch respectvol omgegaan met de bestaande bouwlagen en stijlkenmerken. De rococo-elementen van de hoekwoning werden in een hedendaagse interpretatie behouden en versterkt.
Een belangrijke doelstelling van deze fase was de koppeling met het Hof van Busleyden. Reeds in fase 1 werd een interne verbinding voorbereid via de nieuwe traphal, waardoor Het Schipken op een logische manier in het museumparcours kan worden geïntegreerd. Interieurelementen die in Het Schipken worden toegepast, zoals kubistische banken, tafels en zitmeubels, komen ook terug in de inrichting van fase 2. Dit zorgt voor een consistente sfeer doorheen het hele museum.
Het Schipken wordt functioneel opgewaardeerd als ontmoetings- en participatieruimte, met digitale voorzieningen en beeldschermen die interactie en wereldwijde communicatie mogelijk maken, zonder dat de fysieke ruimte groot hoeft te zijn. Ook een kleinschalige barista-koffiehoek wordt voorzien, afgestemd op de openingstijden van het museum en gekoppeld aan een informatiepunt over de geschiedenis van het gebouw, Hiëronymus van Busleyden, het humanisme en de Beiaardschool.
Door deze aanpak ontstaat een multifunctionele, hedendaagse ruimte die het erfgoed van Het Schipken beleefbaar maakt en tegelijkertijd een gezellige, uitnodigende ontmoetingsplek biedt voor zowel museumbezoekers als Mechelaars.
Specifics
Opdrachtgever: Stad Mechelen
Locatie: Mechelen
Realisatie: 1999 – 2026
Ontwerpteam: dmvA i.s.m. hlc.r architecten: David Driesen, Tom Verschueren, Hans Le Compte, Valerie Lonnoy, Jolien De Baets, Gert-Jan Schulte, Lukas Versteele, Ruben Van den hove, Evelien Deprins, Jan De Vocht
Ingenieur Stabiliteit: Studiebureel BAS bvba
Ingenieur Technieken: Studiebureau IRS- Deprez bvba
Landschapontwerper: Ars Horti
Fotografie: Bart Gosselin (phase 1), Frederik Vercruysse (underground museum hall), Sergio Pirrone (phase 2), Sophie Nuytten
Schaal: Fase 1: 1450 m²(uitbreiding), Fase 2: 3000 m²
Woning TP
Woning TP
Het project TP bevindt zich in de volkse buurt van Mechelen, in het stadscentrum. Mechelen was vroeger een belangrijk religieus centrum, waardoor er vandaag nog steeds acht kerken binnen de stad aanwezig zijn. Het huisje ligt pal naast één van die kerken, een imposant gebouw dat door zijn schaal en massiviteit het pand letterlijk in de schaduw duwt. In combinatie met de ongunstige oriëntatie van het perceel maakte dit de opgave complex. Bij het ontwerp kon de kerk uiteraard niet verwijderd worden, waardoor dmvA ervoor koos om ze niet als hinderlijk element te beschouwen, maar juist als een stedelijk decor en aanvulling van het gebouw.
Een alleenstaande vrouw met groene vingers kocht daar het huisje naast de kerk en vroeg dmvA om het te verbouwen. De klant had de wens om aan urban farming te doen, wat niet evident is in het centrum van een stad. Het perceel was bovendien helemaal volgebouwd en de achterzijde is noord gericht, waardoor die zich vaak in de schaduw van het hoofdhuis bevindt. dmvA creëerde niet alleen een huis dat aan haar wensen voldeed, maar zorgde ook voor een heropleving van de straat.
Een groene plek achter het huis was dus wegens lichtgebrek niet vanzelfsprekend. dmvA besloot daarom de achterbouw weg te halen, behalve een stalen ligger. De balk inspireerde hen om enkele liggers toe te voegen en daarop de serre te plaatsen. Door de serre letterlijk te laten zweven, creëerde dmvA een oplossing voor het lichtgebrek en zorgde op die manier dat de patio luchtig blijft. Als bijgevolg van het opentrekken van de kavel, ontstond er een mooi uitzicht vanuit de serre en de eerste verdieping, met de kerk als stedelijk decor.
Waar vroeger de garagepoort en de toegangspoort waren, maakte dmvA alles open tot aan de patio. Het is een overdekte buitenruimte onder het huis geworden, waar de auto kan geparkeerd worden. De ruimte is afgesloten door een poort met stalen lamellen geplaatst onder een hoek van 45 graden. Zo’n poort schenkt genoeg privacy, maar geeft toch een open, lichte indruk. Vroeger was het donker hoekje bij de poort een probleemplek in de straat, maar door de ingreep van dmvA is het een frisse hoek geworden die de straat doet heropleven.
Urban Farming in de stad
Aangezien er door de oriëntatie minder licht binnenkomt op de gelijkvloers van het pand, plaatste dmvA de slaapkamer beneden en de woonkamer boven. Naast de patio bevindt zich een kleine leefruimte die later ook als slaapkamer kan gebruikt worden. Door het weghalen van alle binnenmuren en het creëren van open ruimtes, lijkt de woning ondanks haar kleine woonoppervlakte (80m2) groter dan ze is. Zo werd de trap telkens aan de zijkant van het pand gezet, opdat de ruimtes niet doorbroken worden. Op de tweede verdieping was er recentelijk een stukje aangebouwd. dmvA haalde dat hoekje er weer af, bracht het pand terug naar zijn oorspronkelijke vorm en bouwde daar een dakterras. De gevels van het huis zijn wit gekaleid, waardoor de littekens er blijven doorkomen en zo de geschiedenis niet helemaal wordt verdoezeld.
Het interieur en exterieur van de woning werden bovendien grotendeels gerealiseerd met de hulp van de bouwheer zelf, wat het project een uitgesproken DIY-karakter geeft. Om die reden koos dmvA voor materialen die makkelijk te hanteren zijn, zoals OSB-platen. Deze platen zijn eenvoudig te verzagen en te bevestigen, waardoor ze ideaal waren voor zelfbouw. Ook de gevel werd door de bouwheer eigenhandig bepleisterd, en de serre aan de achterzijde werd mee opgebouwd via een zelfbouwpakket. Deze actieve betrokkenheid van de bouwheer versterkt niet alleen het persoonlijke karakter van de woning, maar maakt het project ook extra authentiek en eigen.
Specifics
Opdrachtgever: TP
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2013 – 2017
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: 80 m²












































































































