Wasserijsite
Wasserijsite
Het project Wasserijsite maakt deel uit van het stadsvernieuwingsproject En route! in de wijken Dampoort en Sint-Amandsberg in Gent. Deze buurt wordt gekenmerkt door een dense stedelijke structuur met gesloten bouwblokken en een mix van residentiële en kleinschalige industriële functies. De Wasserijsite bevindt zich midden in zo’n bouwblok en bestaat uit een gevarieerd geheel van gebouwen, waaronder een herenwoning, een voormalig industrieel wasserijgebouw en verschillende loodsen.
De opdrachtgever stelde de vraag om deze versnipperde en deels onderbenutte site te herontwikkelen tot een betekenisvolle plek voor de buurt. Daarbij lag de nadruk op het creëren van ruimte voor lokaal ondernemen, innovatie en creatieve initiatieven, met bijzondere aandacht voor jonge starters en een sterke wisselwerking met de omgeving. Het beheer van de site is in handen van WasCo, die deze mix verder zal invullen via een programmatie met onder meer workshops, sportactiviteiten en culturele evenementen.
Als antwoord hierop startte dmvA met een ontwerpend onderzoek naar het potentieel van de site. Op basis daarvan werd een architecturaal concept ontwikkeld dat verder verfijnd werd via participatiemomenten met buurtbewoners. Centraal in de aanpak staat het ontpitten van het binnengebied: minder waardevolle gebouwen worden verwijderd om ruimte te maken voor groen en openheid binnen het dichte bouwblok.
Tegelijk worden karakteristieke elementen behouden, zoals de 19de-eeuwse gevel van het herenhuis aan de Toekomststraat, de industriële gevel aan de Kunstenaarstraat, de modernistische binnengevels en specifieke erfgoedelementen zoals de schouw, het waterreservoir en het glasraam met het monogram van oprichter Maurice Dossche bewaard. Deze elementen verankeren het project in zijn geschiedenis zonder het te musealiseren en versterken de identiteit en het geheugen van de plek.
Het project zet daarnaast in op toegankelijkheid en verbinding. Door een nieuwe doorsteek tussen de Toekomststraat en de Kunstenaarstraat wordt de site doorwaadbaar gemaakt. Deze route loopt deels door de buitenruimte en deels door een binnenstraat in het wasserijgebouw. Aan de Toekomststraat wordt een rijwoning verwijderd, waarbij de vrijgekomen wand wordt vergroend met klimplanten en ondersteund door een stalen structuur die tegelijk als herkenbare toegang fungeert. Het binnengebied wordt landschappelijk vormgegeven door Fris in het Landschap, met een focus op een meer natuurlijke, verwilderde groenaanleg met diverse sferen. Terrassen en stapstenen structureren het plein zonder het vast te leggen, waardoor verschillende vormen van gebruik mogelijk blijven.
De gebouwen op de site worden gerenoveerd met het oog op flexibiliteit en polyvalent gebruik. Dankzij een heldere organisatie, nieuwe circulatiekernen en doordachte technische ingrepen kunnen verschillende functies eenvoudig worden ondergebracht en aangepast aan toekomstige noden.
Het ontpitte binnengebied met bewaarde modernistische gevels
Er wordt bewust gekozen voor een dialoog tussen oud en nieuw: bestaande structuren blijven maximaal behouden, terwijl nieuwe toevoegingen uitgevoerd worden in zichtbeton en ruw metselwerk. Dit resulteert in een zogenaamde littekenarchitectuur, waarbij de geschiedenis van de plek leesbaar blijft.
De duurzaamheid van het project ligt in meerdere aspecten. Enerzijds wordt ingezet op hergebruik van bestaande gebouwen en materialen, wat de ecologische impact aanzienlijk vermindert. Anderzijds zorgt het ontpitten voor meer groen en waterinfiltratie in het bouwblok. De flexibiliteit van de ruimtes verlengt bovendien de levensduur van het project, doordat het eenvoudig kan inspelen op veranderende noden. Tot slot versterkt de sterke verankering in de buurt de sociale duurzaamheid, door ontmoeting, lokale economie en betrokkenheid te stimuleren.
Specifics
Opdrachtgever: sogent
Locatie: Gent
Realisatie: 2017 – 2026
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Eva Vanderborcht, Dries Delagaye, Kotryna Urbonaite
Ingenieur Stabiliteit: Denkbar
Ingenieur Technieken: HP Engineers
Credits 3D image: dmvA
Schaal: 1767 m2
Residentie Beghardi
Beghardi
De voormalige ziekenhuissite ‘De Voorzorg’ bevindt zich in de Nieuwe Beggaardenstraat in Mechelen, aan de rand van het Groot Begijnhof en nabij een vertakking van de Dijle. Als kleinschalig stedelijk ziekenhuis maakte De Voorzorg lange tijd integraal deel uit van het historische stadsweefsel en vervulde het een belangrijke sociale en zorgende rol binnen het centrum. De laatste jaren vindt er een bredere evolutie plaats waarbij kleinere, stedelijke ziekenhuizen steeds vaker verdwijnen als gevolg van fusies. De grotere ziekenhuiscampussen vestigen zich voornamelijk buiten de stad.
De omgeving maakt deel uit van de Mechelse benedenstad, een historisch dicht bebouwd stadsdeel dat eeuwenlang werd doorkruist door een fijnmazig netwerk van vlieten. Het projectperceel grenst aan een kleinere voormalige vliet, die vandaag gedempt is en wordt ingezet als wadi binnen het ontwerp.
De site was doorheen de jaren volledig volgebouwd, waardoor licht, lucht en groen grotendeels verdwenen waren. Daarnaast wordt het karakter van de site bepaald door restanten van diephuizen, blinde gevels en de typische kleinschaligheid van het middeleeuwse stadsweefsel. De site wordt aan één zijde begrensd door het Scheppersinstituut, waarmee zorgvuldig rekening werd gehouden op het vlak van schaal, oriëntatie en privacy. Het terrein werd aangekocht door een private ontwikkelaar met de intentie om haar te herbestemmen tot een residentieel project dat opnieuw woonkwaliteit toevoegt aan de binnenstad.
De ontwerpopgave omvatte het behoud en de integratie van de karaktervolle voorgevel van het bestaande herenhuis, als drager van de historische identiteit van De Voorzorg, gecombineerd met nieuwe woonvolumes en kwalitatieve buitenruimtes.
Het ontwerpconcept vertrekt vanuit het idee van een hedendaags begijnhof: een ensemble van woningen rond een collectieve, groene binnenruimte, ingebed in de stad maar met een uitgesproken eigen rust en identiteit. De nieuwbouw is opgevat als twee volumes: één aan de straatzijde en één aan de achterzijde van het perceel. Samen definiëren ze een centraal gelegen, ommuurde tuin.
Een cruciale stedelijke ingreep is de aanleg van een doorgang tussen de Arme Clarenstraat en de nieuwe Beggaardensstraat. Deze smalle steeg verhoogt de doorwaadbaarheid van het bouwblok en grijpt bewust terug naar de middeleeuwse stadsstructuur van steegjes die Mechelen historisch kenmerken.
Architecturaal wordt ingezet op een gevelritmiek die aansluit bij het bestaande stadsbeeld. Door een mix van woontypologieën ontstaat een gevarieerd woonaanbod dat verschillende doelgroepen aantrekt. Het nieuwe diephuis volgt de oorspronkelijke bouwdiepte van 17 meter, maar dankzij de toevoeging van een patiotuin en een doorsteek ontstaat een meer open structuur. De gevelopbouw en vloerhoogtes zijn afgestemd op het bestaande pand van De Voorzorg, waarbij de gelijkvloerse laag bewust iets hoger is uitgevoerd om extra ruimtelijkheid en licht te creëren in de doorgang.
Bakstenen tuinmuren structureren de paden en terrassen en creëren een geleidelijke overgang tussen private en gedeelde zones. Een gevarieerd en seizoensgebonden beplantingsplan versterkt zowel de privacy van de woningen als het levendige karakter van de collectieve buitenruimte.
Specifics
Opdrachtgever: Stigt nv
Locatie: Mechelen
Ontwerpteam: Tom Verschueren, David Driesen, Lennart Visser, Silke Verstappen, Tom Beele
Ingenieur Stabiliteit: Momenting bv
Credits 3D image: Polygon
Schaal: 6 huizen, 10 appartementen met collectieve binnentuin
Lorette Klooster
Lorette Klooster
Het Lorette Klooster ook gekend als het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid, maakt deel uit van een trapeziumvormig bouwblok gelegen in het hart van Mechelen tussen de Drabstraat en de Begijnenstraat naast de Vismarkt aan de Dijle. De site vormt een gelaagd geheel van gebouwen bestaande uit diephuizen (16de eeuw), een pakhuis (17e eeuw) en het neogotische kloostergebouw opgetrokken in de 19de– en vroege 20ste-eeuw.
Ten westen van het bouwblok bevindt zich de Drabstraat, een smalle straat die de Vismarkt verbindt met de recent heropende Melaanvliet. In de 19de eeuw werden de zuidelijke gevels van deze straat geüniformeerd volgens classicistische principes, wat resulteerde in een homogeen maar weinig leesbaar straatbeeld.
Achter deze 19de-eeuwse witgepleisterde gevelwand schuilen waardevolle historische gebouwen, waaronder de beschermde monumenten Hooghuys een pakhuis uit de 17de eeuw en ’t Sweert drie diephuizen uit de 16e eeuw. Ten zuiden van ’t Sweert bevindt zich een 19de-eeuws pand uit ca. 1888 met een minder historisch waardevolle kenmerken.
Het kloostersite verloor haar functie eind jaren 70. Gedurende meer dan 20 jaar hebben meerdere projectontwikkelaars getracht de site te ontwikkelen maar zonder resultaat. In 2006 werd de site uiteindelijk opgesplitst in twee delen. De neogotische kloostergebouwen werden verkocht aan projectontwikkelaar Costermans, de buitenruimtes en de gebouwen langsheen de Drabstraat werden eigendom van ontwikkelaar City Site.
De stad Mechelen formuleerde in samenwerking met Erfgoed Vlaanderen de randvoorwaarden van de reconversieopdracht die verschillende stedelijke doelstellingen samenbracht. Het project beoogde enerzijds een antwoord te bieden op de parkeerdruk in de binnenstad door de aanleg van een ondergrondse parkeergarage en anderzijds een gemengd programma te realiseren met woningen, kantoren en commerciële ruimten. Daarnaast moest de ingreep aansluiten bij de bredere stadsvernieuwingsoperatie rond de Melaan en de Lamotsite. Tevens diende bijzondere aandacht worden besteed aan de herwaardering en het behoud van het waardevolle bouwkundige erfgoed. De grootste uitdaging van het project lag in het verzoenen van deze erfgoedzorg met het uitgebreide programma van eisen.
dmvA werd door projectontwikkelaar City Site aangesteld als ontwerper voor het maken van het masterplan. Het doel was om de verborgen parel van het Lorette Klooster toegankelijk te maken voor de Mechelaar. Zowel de binnenkoer achter het Hooghuys als de vroegere driehoekige kloostertuin worden in ere hersteld en omgevormd tot semi-publieke tuinen. Door het heropenen van de steeg aan de Vismarkt alsook door het creëren van een nieuwe doorgang naast het Hooghuys ontstaat een voetgangersverbinding tussen de Melaan en de Vismarkt.
Het architecturale concept vertrekt vanuit het selectief verwijderen van bestaande volumes gebaseerd op historisch onderzoek. Minder waardevolle bouwvolumes werden afgebroken om ruimte te creëren voor een weloverwogen nieuwbouw. Het oorspronkelijke 19e -eeuwse bouwvolume tussen Hooghuys en ’t Sweert wordt vervangen door een nieuwbouw met inrit voor de ondergrondse parkeergarage, handelsruimte en drie appartementen, waarvan de gevels zijn uitgevoerd in witte baksteen die aansluit bij de witte pleister architectuur van het Hooghuys en de 19e -eeuwse gevels. Deze ingreep doorbreekt bewust op een subtiele manier de strikte geveluniformiteit van de Drabstraat en maakt de onderliggende gelaagdheid opnieuw zichtbaar.
De nieuwbouw wordt ingezet als aanvulling en niet als overheersend element. Uit respect voor het beschermde Hooghuys blijft het gelijkvloers deel onbebouwd waardoor er een steeg ontstaat die de straat verbindt met de semi-publieke binnenkoer. Door de aansluiting op de mansardedaken van ’t Sweert te spiegelen, wordt een evenwicht gezocht tussen oud en nieuw. Het onregelmatige ritme van raamopeningen in de gevel en de integratie van inpandige terrassen zorgen voor een hedendaagse interpretatie van de classicistische 19e -eeuwse gevel zonder het straatbeeld te verstoren.
Zicht vanuit de Melaan op het Hooghuys en het nieuwe volume met steeg naar de binnenkoer
Wonen aan een Kloostertuin
Het binnengebied, dat historisch fungeerde als kloostertuin en later als schoolspeelplaats, vormt het ruimtelijke hart van het project. Deze open ruimte bleef doorheen de geschiedenis een rustpunt binnen de dense stedelijke context. Ook in de nieuwe invulling wordt dit karakter behouden en versterkt.
In plaats van het gebied te verkavelen in private tuinen, werd bewust gekozen voor een semi-publieke, collectieve buitenruimte. De nieuwe achtergevels samen met de drie gerestaureerde historische puntgevels van ’t Sweert en de gerestaureerde neogotische gevels van de kapel en het kloostergebouw omkaderen het binnengebied en creëren een menselijke architectuur zonder de ruimtelijke samenhang te verstoren. De synergie tussen oud en nieuw verstrekt de historiciteit van de site.
Het klooster Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid bestaande uit een noordelijke en oostelijke vleugel opgetrokken in 1911 in neogotische stijl onder leiding van bouwmeester Edmond Peel, wordt gerestaureerd en getransformeerd tot een appartementen complex door architect Wil Bots.
De middeleeuwse gevels van ’t Sweert werden terug in ere hersteld en gerestaureerd door Beeck&Hermans architecten.
Specifics
Opdrachtgever: City Site/ Van Poppel
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2005 – 2018
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Valérie Lonnoy
Ingenieur Stabiliteit: Jan Van Aelst bvba
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: 4735 m²
Hof van Busleyden
Hof van Busleyden
Het Hof van Busleyden is een statig stadspaleis uit de 16de eeuw en een van de belangrijkste erfgoedlocaties van Mechelen. Samen met het paleis van Margaretha van Oostenrijk, het Schepenhuis en andere stadspaleizen vormt het een tastbare herinnering aan het Bourgondische verleden van de stad. Mechelen was toen een centrum van macht, religie en humanisme. Vandaag maakt het gebouw deel uit van de culturele driehoek van Mechelen. Sinds 1938 doet het Hof dienst als stadsmuseum. Het gebouw, dat als monument werd beschermd, ligt in een zone met een hoge concentratie aan historische panden ten noorden van de Grote Markt, en weerspiegelt zo het rijke cultuurhistorische weefsel van de stad.
Het Hof van Busleyden kent een rijke geschiedenis die teruggaat tot de 16de eeuw. Toen het werd gebouwd als stadspaleis van Hiëronymus van Busleyden, een invloedrijke humanist, raadsheer en mecenas aan het hof van de Bourgondische Nederlanden. Het gebouw fungeerde destijds als een ontmoetingsplaats voor vooraanstaande denkers en kunstenaars, waaronder Erasmus en Thomas More. Zo speelde het een belangrijke rol in het intellectuele leven van de Renaissance. Doorheen de eeuwen kende het pand diverse functies. Van adellijke residentie tot liefdadigheidsinstelling en uiteindelijk stadsmuseum vanaf 1938. Ondanks aanpassingen en verbouwingen bleef de laatgotische architectuur met haar kenmerkende bak- en zandsteencombinatie grotendeels behouden. Het stadspaleis wikkelt zich rond drie buitenruimtes, oorspronkelijk volledig afgesloten van en voor het publieke leven.
Het Hof heeft enorme schade opgelopen tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1914 werd Mechelen zwaar gebombardeerd door het Duitse leger. Grote delen van het dak en het interieur werden vernield. Het stadsbestuur was vastbesloten om het gebouw in al haar glorie te herstellen, en er een stadsmuseum in onder te brengen. Hoe we het gebouw vandaag kennen is eigenlijk een reconstructie van een geromantiseerd historisch gebouw.
In 1999 werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven voor de uitbreiding, modernisering en restauratie van het stadsmuseum. De complexiteit hieromtrent behelsde, behalve het architecturale, ook het juist omspringen met het technische complex gegeven rond de museale technieken, klasse A. Het winnende ontwerp, van Hans Le Compte in samenwerking met dmvA, wist de jury te overtuigen door het bestaande historisch erfgoed niet aan te passen maar op een onzichtbare manier het museum uit te breiden. De uitvoering van het project startte in 2010 en verloopt gefaseerd tot in 2026.
Deze gefaseerde aanpak liet toe om tijdens de eerste fase de focus te leggen op de stedelijke doorwaadbaarheid en de structurele en technische uitbreiding van het museum, waarbij de nieuwe ondergrondse museumzalen werden gerealiseerd. In een tweede fase werd het hoofdgebouw gerenoveerd en geoptimaliseerd voor hedendaags gebruik, met nieuwe functies zoals een bar, boekenwinkel, terrassen en een circulatieblok dat de toegankelijkheid van het museum versterkt. Tijdens de derde fase werd de volledige museale inrichting uitgevoerd. In de laatste fase werd het Schipken, het hoekgebouw en een oude orgelschool, nog gerenoveerd en toegevoegd aan het museum.
Fase I
Fase I omvatte de her aanleg van de drie tuinen, het creëren van een doorgang tussen de Stadstuin en de Erekoer en de toevoeging van een ondergrondse museumzaal. Tijdens deze fase lag de nadruk op de toegankelijkheid en beleving van de gehele site versterkten, met respect voor het historische karakter van het monument.
De drie buitenruimtes van het renaissancepaleis, de Stadstuin, de Erekoer en de Beeldentuin, werden volledig heraangelegd en opnieuw opengesteld voor het publiek. Waar deze plekken vroeger afgesloten waren, vormen ze nu een toegankelijk en levendig geheel binnen de stad. De tuinen vervullen een meervoudige rol: ze functioneren als museumtuin en schakel op de museumas, als platform voor sculpturen en hedendaagse kunstvormen, maar ook als rustpunt in de stad. Ze bieden ruimte voor ontmoeting, reflectie en kleinschalige evenementen, en verbinden zo het museum met het dagelijks leven van de Mechelaar. Het eigentijdse karakter van de tuinen sluit subtiel aan bij het historische kader van de site: geen letterlijke reconstructie van een renaissancetuin, maar een serene, hedendaagse interpretatie die de humanistische geest van Hiëronymus van Busleyden levend houdt.
Door het openstellen van de buitenruimtes en het doortrekken van de gaanderij werd een vloeiende doorgang gecreëerd tussen de drie tuinen. Zo werd de site doorwaadbaar en opgenomen in de publieke ruimte. De opeenvolging van routes, binnenplaatsen en tuinen verankert het museum sterker in het stedelijke weefsel en versterkt de culturele dynamiek van de omgeving.
Het eigentijdse karakter van de tuinen sluit subtiel aan bij het historische kader van de site: geen letterlijke reconstructie van een renaissancetuin, maar een serene, hedendaagse interpretatie die de humanistische geest van Hiëronymus van Busleyden levend houdt.
De oostelijke vleugel bevat de circulatie naar de ondergrondse expositiezalen. Het gebouw afgebroken werd voor de bouw van de ondergrondse zalen, maar is daarna zoals oorspronkelijk heropgebouwd. Binnen werd het circulatiegegeven op een hedendaagse manier ingevuld door dmvA.
De trap fungeert niet enkel als circulatie-element, maar ook als architecturaal statement dat verwijst naar Mechelens traditie van vakmanschap en ambacht. Voormalig Vlaams Bouwmeester Bob Van Reeth, die een affiniteit met Mechelen bezit, adviseerde dmvA tijdens de ontwerpfase ‘dat de trap een dergelijke grandeur moet uitstralen dat een vader deze circulatie waardig acht om langs deze weg zijn dochter te overhandigen bij het huwelijksritueel’. Na de voltooiing van de trap heeft deze architect, geducht om zijn ongezouten meningen, de ingreep gecomplimenteerd.
De nieuwe museumzalen bevinden zich negen meter onder de buitenruimte en het beiaardmuseum. Een architect hoeft namelijk niet altijd zichtbaar in te grijpen, zeker wanneer deze in aanraking komt met een beschermd gebouw. dmvA besloot daarom de zaal onder de stadstuin te plaatsen om zo de omliggende historische context niet te schaden. Een technisch staaltje van ondergronds bouwen voorziet in een kleine en grote tentoonstellingszaal waarvoor een certificaat museumklasse conditionering A is uitgereikt – uniek in België. De grootste tentoonstellingszaal (30 m vrije overspanning, 6,5 m hoog) kan daarom internationale topstukken ontvangen
De complexiteit van de museale technieken verdwijnen in de architecturale uitwerking binnen de gebouwen door een doos-in-doos-principe. Zo doen ze geen afbreuk aan de kwaliteit en esthetiek van de plek.
Fase II
Fase twee behelst de renovatie van de hoofdgebouwen tot museum met bar, boekenwinkel en terrassen en een circulatieblok in nieuwe balegemsesteen ter vervanging van de 19de-eeuwse conciërgewoning.
De voormalige conciërgewoning, die zich tussen de verschillende vleugels van het Hof van Busleyden bevond, verhinderde een logische circulatie en beperkte de doorwaadbaarheid tussen de drie museumgebouwen. Door deze woning af te breken, ontstond de mogelijkheid om een nieuwe verbinding te creëren die de drie historische vleugels.
Het nieuwe circulatiegebouw is zo ontworpen dat het alle vloerniveaus met elkaar verbindt en waarin ook een technische ruimte is ondergebracht. Het gebouw is opgevat als een rustig, abstract volume in Balegemse natuursteen hetzelfde materiaal als de negblokken en speklagen in het aangrenzende historische gebouw. Ondanks zijn gesloten karakter krijgt het interieur een open en lichte sfeer dankzij het dak, opgebouwd uit een raster van betonnen balken met glazen invulling. Het invallende zenitale licht versterkt het gevoel van verticaliteit en trekt bezoekers als het ware naar boven.
Binnenin bestaat het circulatiegebouw uit betonnen wanden, gecombineerd met een glazen wand aan de zijde van het aanpalende historische gebouw. Het ruwe, bestraalde beton contrasteert met het delicate glas. Omdat het volume volledig uitkraagt, waren er geen kolommen nodig om het te ondersteunen.
Het circulatiegebouw dringt zich niet op, maar neemt het letterlijk en figuurlijk afstand van het omliggende historische gebouw. Het vormt een ingetogen schakel tussen oud en nieuw. Ook de aangrenzende beeldentuin sluit hierop aan: het ene deel vormt een visuele verlenging van het nieuwe gebouw, terwijl het andere deel als groene ruimte het historische paleis omarmt en versterkt.
Fase III
Fase 3 gebeurde in nauwe samewerking met de dienst musea van de stad Mechelen en de aannemer. Het werd gerealiseerd met bijzondere hedendaagse opvatting rond het gegeven van humanisme.
Binnen de historische context van het stadspaleis, dat ooit diende als ontmoetingsplaats voor humanisten zoals Erasmus en Thomas More, kreeg de scenografie van de vaste tentoonstelling haar vorm. Vertrekkend vanuit de bestaande architectuur werd elke kamer benaderd als een ruimte met een eigen verhaal en karakter. De inrichting staat volledig in dienst van de tentoongestelde objecten, terwijl waar mogelijk interactie met de bezoeker wordt aangemoedigd. De rode draad doorheen het museum wordt gevormd door kamers die het “nu” verbeelden en afwisselen met de collectiekamers.
Het museumparcours mondt uit in de zolderruimte, waar het topstukken van het erfgoed, de “Hofkes”, wordt tentoongesteld. Hiervoor werden speciaal ontworpen vitrines ontwikkeld die alle trillingen en omgevingsinvloeden uitschakelen om dit fragiele erfgoed optimaal te bewaren.
Naast de vaste scenografie in het paleis bevindt zich in de nieuwe ondergrondse museumzaal ruimte voor tijdelijke tentoonstellingen, waardoor het Hof van Busleyden flexibel kan inspelen op actuele thema’s en nieuwe samenwerkingen. Zo wordt het museum een plek waar verleden, heden en toekomst elkaar ontmoeten.
Zolderruimte waar de “Hofkes” hangen
Fase IV
De laatste fase van het Hof van Busleyden richt zich op de renovatie van Het Schipken, de voormalige beiaardschool ten zuiden van de site, en de integratie ervan binnen het museumcomplex. De oude woning en latere toevoegingen maakten het gebouw tot een samengestelde structuur. Met historische elementen die teruggaan tot voor 1745. Door de diverse bouwfasen en latere aanpassingen ontstond een mix van originele indelingen, kelderruimtes en opkamers, die het mogelijk maakt de functies op een slimme en respectvolle manier te koppelen aan het museum.
Bij de renovatie werd historisch respectvol omgegaan met de bestaande bouwlagen en stijlkenmerken. De rococo-elementen van de hoekwoning werden in een hedendaagse interpretatie behouden en versterkt.
Een belangrijke doelstelling van deze fase was de koppeling met het Hof van Busleyden. Reeds in fase 1 werd een interne verbinding voorbereid via de nieuwe traphal, waardoor Het Schipken op een logische manier in het museumparcours kan worden geïntegreerd. Interieurelementen die in Het Schipken worden toegepast, zoals kubistische banken, tafels en zitmeubels, komen ook terug in de inrichting van fase 2. Dit zorgt voor een consistente sfeer doorheen het hele museum.
Het Schipken wordt functioneel opgewaardeerd als ontmoetings- en participatieruimte, met digitale voorzieningen en beeldschermen die interactie en wereldwijde communicatie mogelijk maken, zonder dat de fysieke ruimte groot hoeft te zijn. Ook een kleinschalige barista-koffiehoek wordt voorzien, afgestemd op de openingstijden van het museum en gekoppeld aan een informatiepunt over de geschiedenis van het gebouw, Hiëronymus van Busleyden, het humanisme en de Beiaardschool.
Door deze aanpak ontstaat een multifunctionele, hedendaagse ruimte die het erfgoed van Het Schipken beleefbaar maakt en tegelijkertijd een gezellige, uitnodigende ontmoetingsplek biedt voor zowel museumbezoekers als Mechelaars.
Specifics
Opdrachtgever: Stad Mechelen
Locatie: Mechelen
Realisatie: 1999 – 2026
Ontwerpteam: dmvA i.s.m. hlc.r architecten: David Driesen, Tom Verschueren, Hans Le Compte, Valerie Lonnoy, Jolien De Baets, Gert-Jan Schulte, Lukas Versteele, Ruben Van den hove, Evelien Deprins, Jan De Vocht
Ingenieur Stabiliteit: Studiebureel BAS bvba
Ingenieur Technieken: Studiebureau IRS- Deprez bvba
Landschapontwerper: Ars Horti
Fotografie: Bart Gosselin (phase 1), Frederik Vercruysse (underground museum hall), Sergio Pirrone (phase 2), Sophie Nuytten
Schaal: Fase 1: 1450 m²(uitbreiding), Fase 2: 3000 m²
Woning JE
Woning JE
Een begijnhof is een historisch vaak ommuurd complex in de stad bestaande uit huisjes, conventen en een kapel rond een binnentuin. Vanaf de 13e eeuw woonden er begijnen – ‘vrome’ ongehuwde vrouwen – die een religieus leven leidden zonder kloostergeloften. Het zijn vaak oases van rust. Dertien Vlaamse begijnhoven waaronder deze van de stad Mechelen zijn UNESCO werelderfgoed.
Het Onze-Lieve-Vrouwe Convent is gelegen in een smal straatje in het Groot Begijnhof. Het beschermde monument met een grote culturele, historische en esthetische waarde was oorspronkelijk een armenconvent uit de 17de eeuw en stond al jaren leeg. Het convent was nog volledig intact. De begijnen leefden er in alle soberheid en eenvoud, principes die ook aan de basis liggen van de ontwerpattitude van dmvA.
dmvA transformeerde het monument tot een gezinswoning waarbij het bouwvolume ongewijzigd bleef. De schaal van de kleine ruimtes en de aanwezige detaillering inspireerde dmvA om in te zetten op minimale interventies. Hierbij werd steeds gezocht naar maximaliteit in het minimale van de ruimte zoals in de Japanse architectuur.
Het armenconvent bestond uit een hoofdgebouw met individuele woonunits voor de begijnen en een 18de -eeuws bijgebouw dat gebruikt werd als was- en kookplek. Het hoofdgebouw werd omgevormd tot leef- en slaapruimtes, terwijl het bijgebouw dat uitgeeft op de kleine stadstuin getransformeerd werd tot leefkeuken.
Onzichtbare interventies
In het hoofdgebouw wordt elke ruimte in ere hersteld. Houten moer- en kinderbalken worden terug zichtbaar gemaakt en het stucwerk van de houten balken wordt gerestaureerd door middel van de techniek van het zogenaamde ‘turken’ (afwerking met kalkpleisterwerk). Als vloerafwerking voor het gelijkvloers worden sobere rode terracotta tegels gebruikt. Op de verdiepingen worden houten plankenvloeren hersteld en gerestaureerd. De verborgen houten draaitrap die het gelijkvloers verbindt met de zolder wordt terug operationeel gemaakt. Interventies beperken zich tot het wit schilderen van vloeren en trappen, het toevoegen van een spiegelwand en de implementatie van meubels.
Guillotinepoorten
Typerend voor de zolderruimte van het hoofdgebouw zijn de 17e eeuwse eiken kapspanten en de rode terracotta tegelvloer. Gezien de beperkte oppervlakte en de complexe ruimtelijkheid werden er geen aparte slaapkamers gemaakt maar wel Japans geïnspireerde ‘slaapboxen’ geïnstalleerd tussen de kapspanten. Verdiepingshoge aluminium guillotinepoorten scheidden de privé slaapplekken van de gemeenschappelijke speelruimte. De verticale openingen tussen de verschillende boxen werden afgewerkt door middel van spiegels waardoor de spanten optisch worden doorgetrokken. Aangezien Erfgoed Vlaanderen vroeg om de zolderruimte steeds in zijn oorspronkelijke vorm te kunnen herstellen zijn alle interventies reversibel/demonteerbaar.
Kruisbestuiving
Om de ruimtelijkheid in het bijgebouw te vergroten werd de vliering zolder verwijderd zodat de originele spantenstructuur van het dak terug zichtbaar werd. De monumentale witgeschilderde bakstenen schoorsteen, herinnert aan het samenleven van de begijnen in het convent. Heden transformeert de schouw, die de scheiding vormt tussen de keuken en de ontbijthoek, de ruimte tot een plek van verbinding en samenkomst.
De sfeer in de leefkeuken wordt bepaald door het eenvoudige historisch materialenpalet bestaande uit een rode terracottavloer, wit gekaleide muren en zichtbare naakte houten balken. Gebaseerd op het principe van eerlijkheid worden nieuwe toevoegingen zoals het keukeneiland en de raamkozijnen van de nieuwe raamopeningen uitgevoerd in geborsteld roestvaststaal waardoor er een kruisbestuiving bestaat tussen oud en nieuw.
Specifics
Opdrachtgever: J–E
Locatie: Mechelen
Realisatie: 2011 – 2017
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Emilie Dorekens
Fotografie: Frederik Vercruysse
Vlashoeve
Vlashoeve
De West-Vlaamse stad Kortrijk ontstond uit een Romeinse woonkern op de kruising van de Leie en twee Romeinse heirbanen. Kortrijk groeide onder impuls van een bloeiende vlas- en lakennijverheid uit tot een van de welvarendste steden van Vlaanderen. Vandaag is Kortrijk bekend vanwege zijn textielindustrie, als inkoopstad en zijn centrumfunctie op het vlak van tewerkstelling, dienstverlening en onderwijs. De stad heeft diverse hogescholen een universiteit.
De Vlashoeve is gelegen op een strategisch scharnierpunt tussen de campus van Hogeschool VIVES Zuid en de universiteitscampus KULAK in Kortrijk. VIVES is een katholieke hogeschool ontstaan uit het samengaan van twee hogescholen in West-Vlaanderen. De site wordt in het noorden begrensd door een woon- en zorgcentrum en in het zuiden door een woonwijk.
Het historische hoevecomplex, daterend uit 1850, is één van de laatste typische Zuid-West-Vlaamse boerderijen op Kortrijks grondgebied. De site bestaat uit meerdere bouwvolumes namelijk de hoevewoning, de monumentale schuur en stallingen, gegroepeerd rond een vierkant erf enerzijds, een boomgaard en weiden anderzijds. Een centrale vijver splitst het domein op in twee delen.
In de jaren ’70 werd de vlashoeve omgevormd tot het vlasmuseum van de stad Kortrijk. Als uitbreiding werd toen aan de zuidzijde van de boomgaard een nieuwe vleugel gebouwd opgetrokken in baksteen. In 2015 verhuisde het vlasmuseum naar de binnenstad en kwam de hoeve leeg te staan. Naast gelegen VIVES hogeschool kampte met ruimtegebrek en verwierf de ganse site met als doel ze te transformeren tot het kenniscentrum van de hogeschool. Tevens moest de nieuwe afdeling wellbeing- en vitaliteitsmanagement onderbracht worden op de site.
dmvA werd aangesteld om de ganse site en de gebouwen te transformeren tot een uitbreiding van de scholencampus.
Op stedenbouwkundig concept vertrekt vanuit de doelstelling om de site terug toegankelijk te maken voor de Kortrijkzaan. Naast de bestaande oost-west-as die de site van VIVES en de campus van KULAK met elkaar verbindt werd er tevens een noordzuid-as gecreëerd waardoor de site ook toegankelijk wordt vanuit de woonwijk en het woonzorgcentrum.
Op landschappelijk niveau wordt de tweeledigheid van de site versterkt. De zuidwestelijk gelegen boomgaard en weide worden uitgewerkt als groene long en picknickweide voor studenten. De vierkante koer, omboord door de hoevewoning, schuur en stallingen, krijgt de uitstraling van een stedelijk activiteitenplein. Een nieuwe uitkragende luifel in de vorm van een abstract ‘boomblad’ fungeert als een minimale, sculpturale eyecatcher en vormt een hedendaagse ‘speakers’ corner’ in dialoog met de historische context.
Eerherstel hoeve
Door eerdere ingrepen, met name de verbouwingen eind jaren ’70 en ’80 en de museale invulling was de oorspronkelijke ruimtelijke kwaliteit van de hoeve aangetast. De schuur was opgedeeld in kleine compartimenten, de gebouwen hadden een gesloten en donker karakter en de relatie tussen erfgoed, landschap was verzwakt. De stad Kortrijk wenste de historische hoevesite te herbestemmen tot een levende annex van de bestaande scholencampus, met als doel de interactie en synergie tussen de academische wereld en het bedrijfsleven te stimuleren.
Het gebouw voor wellbeing- en vitaliteitsmanagement wordt gekenmerkt door een gesloten structuur met repetitieve draaglijnen en donkere ruimtes. Om hier licht, lucht en beleving te introduceren met behoud van de nodige discretie en privacy worden drie verticale, beglaasde lichtschachten toegevoegd. Deze brengen daglicht diep in het gebouw.
De nieuwe inkom van de administratieve vleugel wordt centraal gepositioneerd tussen schuur en stallingen. Een vrijstaand, compact volume met sanitaire functies en lockers zorgt voor een heledere ciculatie. De stallingen worden ingericht als kantoren en vergaderruimtes, terwijl de schuur haar open karakter terugkrijgt en wordt ingezet als polyvalente zaal.
Specifics
Opdrachtgever: Vives Zuid vzw
Locatie: Kortrijk
Realisatie: 2015 – 2017
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Ruben Van den Hove, An-Sofie De Backer
Ingenieur Stabiliteit: ASB
Ingenieur Technieken: DWE
Fotografie: Luca Beel
Schaal: 3021,1 m²
House Oude Zak
House Oude Zak
De woning is gelegen in Brugge, de historische hoofdstad van West-Vlaanderen en UNESCO-werelderfgoedstad, gekend om haar middeleeuwse stadsstructuur, reien, monumentale architectuur en uitzonderlijk goed bewaarde historische binnenstad.
Aan de achterzijde van het perceel loopt de Augustijnenrei, met aan de overkant de toeristische Godshuizen van de Vette Vispoort. De voorgevel van de woning ligt aan de Oude Zak, een straat die wordt gekenmerkt door een gesloten straatbeeld met een mix van imposante 19de-eeuwse herenhuizen met bepleisterde en beschilderde lijstgevels, diephuizen en eenvoudige breedhuizen. Deze unieke ligging aan het water biedt een bijzonder historisch en landschappelijk kader voor het project.
Een Brugse familie woont als derde generatie in de stadswoning. De bestaande woning was gedateerd en werd gekenmerkt door donkere, gesloten ruimtes. Zowel de kelder met tongewelf als de zolder werden door hun sombere en onpraktische toestand nauwelijks gebruikt. De bouwheer wenste meer licht, meer ruimtelijkheid en een meer serene Japans geïnspireerde sfeer, zonder het karakter van de woning te verliezen.
Typerend voor de Oude Zak is de verheven ligging ten opzichte van de Reien. Binnen deze context werden diephuizen gebouwd op een massieve onderbouw met tongewelven. De ondergrondse ruimtes werden vaak gebruikt als werkplaats of opslagruimte.
De oorspronkelijke woning wordt gekenmerkt door een kamertypologie. Dit ruimtelijk principe vormt het vertrekpunt van het ontwerp. Door middel van subtiele ingrepen wordt het kamergevoel niet opgeheven, maar net versterkt, steeds met respect voor de bestaande structuur en materialen. Nieuwe toevoegingen worden bewust uitgevoerd in ruwe en naakte materialen zoals beton, hout, en staal.
De ondergrondse verdieping wordt omgevormd tot een grote multifunctionele ruimte. Niet-dragende muren worden afgebroken. Het tongewelf wordt doorgetrokken tot aan de achtergevel waardoor een perspectief naar de tuin en de Reien wordt gecreëerd. Omwille van de transparantie van het houten raamgeheel vervaagt de grens tussen binnen en buiten. Door de plaatsing van betonnen zit-elementen aan beide zijde van de ruimte ontstaat een plek voor zelfreflectie en meditatie.
Op het gelijkvloers naast de keuken aan de zijde van de Reien bevindt het terras. Een systeem van vouwschuifpanelen opgebouwd uit stalen kaders en verticale houten lamellen zorgen voor zonwering en privacy ten opzichte van de druk bezochte Godshuizen aan de overzijde. De panelen functioneren tegelijk als “ruimtevormend” element waardoor het terras kan omgevormd worden tot een patio of een afgesloten tuinkamer. De houten lamellen filteren het zonlicht en creëeren een intieme en rustgevende sfeer.
Op eerste verdieping is er de kinderslaapkamer aan de achterzijde. De kleine ruimte aan de straatzijde wordt omgevormd tot een compacte multifunctionele ruimte met douche en wc. Door middel van een “ziggurat” met wanden opgebouwd uit berkenmultiplex worden deze ruimtes als sequenties op een subtiele serene manier met elkaar verbonden.
De zolderverdieping wordt omgevormd tot master bedroom en ondergaat een grondige transformatie. De niet-authentieke dakstructuur wordt vervangen door een nieuw spantendak. De ritmisch geplaatste driehoekige houten spanten zijn niet alleen structureel maar creëren ook een sacrale sfeer die versterkt wordt door de opaal glazen kastdeuren. Een verdiepingshoge spiegelwand vormt de scheiding tussen slaapkamer en badkamer. De reflectie genereert een psychedelische sfeer.
Specifics
Opdrachtgever: Confidentieel
Locatie: Brugge
Realisatie: 2013 – 2017
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Kristof van Parijs
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: eengezinswoning 160 m²
One Room Hotel
One Room Hotel
In de nasleep van de financiële crisis van 2008 en in een context van aanhoudend lage spaarrentes is de interesse van particulieren in vastgoedinvesteringen sterk toegenomen. De transformatie van een klein middeleeuws hoekpand tot het “one room hotel” kadert binnen deze tendens.
Het wit bepleisterde diephuis uit de tweede helft van de 17de eeuw is gelegen op de hoek van de Lange Brilstraat en de Venustraat, in de historische binnenstad van Antwerpen, nabij de Stadswaag. Omwille van de ligging langsheen de cultuur-as tussen de Grote Markt en het MAS (Museum Aan de Stroom) ontstond het idee om een van de kleinste middeleeuwse woningen (2m x 7m) om te vormen tot het one-room-hotel.
Het hoekhuis telt twee bouwlagen met zadeldak en bestaat uit drie traveeën. Het meest kenmerkend is de zeer smalle trapgevel van 2m breedte met 5 treden en een overhoeks topstuk. Tijdens de 19e eeuw werden de gevels bestaande uit bak- en zandsteen wit bepleisterd. Houten vloeren werden opgebouwd door middel van eiken moer- en kinderbalken. Balksleutels en smeedijzeren muurankers verwijzen naar de rijke geschiedenis van het pand.
Het architecturale concept is gebaseerd op het principe van de promenade architecturale: een opeenvolging van ruimtelijke ervaringen die de bezoeker stap voor stap doorheen de 17de-eeuwse woning leidt. Open trappen slingeren zich speels maar doordacht tussen de historische moer- en kinderbalken, en monden uit in een open witte dakpatio. Van daaruit leidt een ‘oneindige trap’ naar een zwevend viewpoint met uitzicht over de stad. Door het plaatselijk verwijderen van houten vloeren en het vervangen ervan door glazen vloertegels ontstaan diagonale zichtlijnen die het Einraum-effect versterken en de ruimtelijke continuïteit maximaliseren.
Het L-vormig grondplan kan opgedeeld worden in het 17e eeuwse diephuis enerzijds en de ingesloten annex anderzijds. Uit respect voor de erfgoed waarde van het hoekhuisje worden respectievelijk kitchenette, badkamer en sauna ondergebracht in de annex, terwijl het historische volume volledig wordt voorbehouden voor circulatie en verblijfsfuncties.
Alle authentieke historische bouwdelen zoals balklagen, plankenvloeren en natuurstenen consoles worden uniform wit geschilderd, waardoor hun samenhang en leesbaarheid worden versterkt. Alle nieuwe, later toegevoegde elementen zijn bewust duidelijk herkenbaar en uitgevoerd in hout (afzelia en eik), waaronder de monumentale inkomdeur, trappen, vloerafwerkingen en het terras. Zo kan de bezoeker in één oogopslag onderscheiden wat authentiek is en wat nieuw werd toegevoegd. Het contrast tussen wit en hout, tussen historisch en hedendaags, creëert een serene, warme en tijdloze sfeer waarin oud en nieuw elkaar versterken.
Zolderruimte die dient als slaapkamer
Specifics
Opdrachtgever: W-V
Locatie: Antwerpen
Realisatie: 2014 – 2015
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Jolien Debaets
Ingenieur Technieken: ASB
Fotografie: Bart Gosselin
Schaal: 103 m²
Hooghuys
Hooghuys
Het Hooghuys is een historisch stapelhuis in de binnenstad van Mechelen en behoort tot de oudste gebouwen van de stad. Archeologisch onderzoek wijst uit dat de kern van het gebouw teruggaat tot de 13de–14de eeuw. Door zijn ligging aan de voormalige Melaanvliet vervulde het pand oorspronkelijk een belangrijke handelsfunctie, waarbij de monumentale stapelzolder het meest waardevolle en karakterbepalende element vormt.
Gedurende de laatste 130 jaar maakte het Hooghuys deel uit van de site van het Loretteklooster, waar het achtereenvolgens werd gebruikt binnen de context van klooster en school. Na het wegvallen van deze functies stond het gebouw ongeveer 25 jaar leeg. Deze langdurige leegstand had een nefaste invloed op de toestand van het pand, met zowel plunderingen als schade tot gevolg.
De restauratieaanpak van het Hooghuys vertrok vanuit twee kernprincipes: respect voor het historische gebouw en een zorgvuldige dialoog tussen oud en nieuw. In eerste instantie werden de talrijke tussenwanden van de voormalige nonnenkamers verwijderd om de ruimtelijke leesbaarheid te herstellen en een open kantoorstructuur mogelijk te maken. Vervolgens werd de houten balken- en spantenstructuur technisch hersteld en gerestaureerd, met bijzondere aandacht voor de monumentale stapelzolder.
Het gelijkvloers werd volledig gerenoveerd en ingericht als advocatenkantoor, terwijl de verdiepingen onder het dak een nieuwe invulling kregen met een architectenkantoor voor dmvA, een appartement en een loft.
Een cruciale ingreep betrof de isolatie van het puntdak. Om de historische houten bebording en spanten zichtbaar te behouden, werd gekozen voor het Scandinavische sarkingprincipe, waarbij de isolatie aan de buitenzijde van het dak wordt aangebracht. Op die manier kon het waardevolle interieurbeeld volledig gevrijwaard blijven.
Ook de buitenhuid van het gebouw werd zorgvuldig aangepakt. Doorheen de tijd was de gevelarchitectuur aangepast en verstoord geraakt. De oorspronkelijke gevelsituatie situeert zich aan de linkerzijgevel, die gekaleid was en zich in de slechtste staat bevond. Deze gevel werd ontdaan van begroeiing en opnieuw gekaleid.
Het houten buitenschrijnwerk werd grotendeels gerestaureerd; ontbrekende of onherstelbare elementen werden naar historisch profiel gereconstrueerd, afgestemd op de periode van het betreffende bouwdeel.
De aanpassingen uit 1825 hadden ingrijpende gevolgen gehad voor de spantenstructuur, onder meer door de inpassing van een monumentale trap. Deze ingrepen waren zowel technisch als visueel problematisch. Het herstel van deze structuur vormde dan ook een belangrijk doel van de restauratie. Op de tweede verdieping werd dit gecombineerd met een hedendaagse ingreep waarbij het trapvolume werd omhuld met spiegels. Achter deze spiegelwanden bevinden zich doorgangen, kasten, technieken en sanitair. Door de reflectie wordt het oorspronkelijke ruimtebeeld als het ware hersteld en versterkt.
Specifics
Opdrachtgever: City Site II / Bouwbedrijf Van Poppel
Locatie: Drabstraat 10, 2800 Mechelen
Realisatie: 2007 – 2013
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Valérie Lonnoy
Ingenieur Stabiliteit: ASB
Fotografie: Frederik Vercruysse & Bart Gosselin
Schaal: 998 m²
Villa Edelweiss
Villa Edelweiss
Het Vlaamse dorp Elewijt is één van de 6 leefkernen van de gemeente Zemst en is gelegen tussen Mechelen en Brussel. Typerend voor de regio zijn de natuurgebieden, de verschillende kasteeldomeinen en diverse historische gebouwen.
Door zijn ligging in de schaduw van de kerk is Villa Edelweiss in de loop der tijd uitgegroeid tot één van de meest beeldbepalende gebouwen van het dorp. Het domein Villa Edelweiss bestaat uit een bakstenen herenwoning met art-deco elementen, een orangerie, een mooie tuin en gedeeltelijke ommuring van de tuin.
De opdracht omvatte niet alleen de restauratie van Villa Edelweiss, maar ook het ontwerpen van nieuwe woonentiteiten op het omliggende terrein, bestaande uit één woning en zes appartementen, met respect voor de historische context en de bestaande omgeving.
Katalysator
De ontwikkeling van domein Edelweiss kadert binnen de visie van de gemeente om de nog onbeduidende stedelijke ruimte langsheen de Tervuursesteenweg om te vormen tot een volwaardig plein. Villa Edelweiss wordt door de restauratie in ere hersteld en wordt de katalysator die het bestaande kerkplein en het nieuwe dorpsplein met elkaar verbindt.
Nieuwe Icoon
Het nieuwbouwproject wordt als een icoon ingeplant in de vroegere tuin van het domein. De ondergrondse parkeergage, licht verheven ten opzichte van het maaiveld, bakent een semi-publieke ruimte af en vormt letterlijk de basis van het project. Op deze ‘sokkel’ onderscheidt men 1 vrijstaand bouwvolume langsheen de Dynastiestraat en 3 aaneengesloten bouwvolumes langsheen het dorpsplein.
Deze volumes begrenzen en verbinden tegelijkertijd de diverse straten en buitenruimten. De materialisering van de sokkel en de gevels door middel van een zandkleurige baksteen versterkt het sculpturaal karakter van het project.
Specifics
Opdrachtgever: NV Van Poppel
Locatie: Elewijt
Realisatie: 2007 – 2013
Ontwerpteam: David Driesen, Tom Verschueren, Liesbet De Winter
Fotografie: Sergio Brison
Schaal: 1430 m²



























































































